Edito A+254

gepubliceerd op 23.06.2015 | tekst Christian Kieckens, Thomas Martin en Géraldine Michat

NL254_COVER

In 1989 gaf een Publiek-Private Samenwerking de opdracht aan OMA-Rem Koolhaas voor een masterplan voor de 800.000 m2 van wat Euralille zou worden. Het was een van die eerste grootschalige ontwikkelingen van stedelijke gebieden die grotendeels gelegen zijn aan knooppunten van mobiliteit en transport. Het zou tot nieuwe verdichtingsmodellen leiden; andere steden zouden volgen, voornamelijk in Nederland, met ontwikkelingen in Arnhem, Rotterdam,…

In het boek ‘Stations Steden’, uitgegeven door Eurostation in 2003, omschrijven Marc Dubois en Evert Lagrou de impact en neerslag van de projecten van deze dochtermaatschappij van de NMBS, waarin het station opnieuw centraal staat. Vooral de grotere steden in Vlaanderen die een inhaalmanoeuvre kregen toebedeeld, kwamen hierbij aan bod. De relance van binnenstedelijke gebieden zou ook onder Vlaams Bouwmeester Marcel Smets steeds meer aan belang winnen om dan vanaf 2010 te resulteren in een meer verdiepte aanpak met onderzoek in pilootprojecten onder leiding van het team van Peter Swinnen. De afgelopen tien jaar werd er dus enorm ingezet op de publieke ruimte en op een vernieuwde visie op randstedelijke situaties, mede door de toenemende bevolkingsdruk – 2030 is dichtbij. Ook Brussel maakt sinds enkele decennia kennis met ‘Wijkcontracten’, waarlangs gemeenten financiering ontvangen voor projectontwikkeling in de publieke ruimte.

De nieuwe wind die door de grotere steden – de zogenaamde centrumsteden – woei, heeft nu ook de gemeenten bereikt. Ironisch genoeg midden in een periode van financiële crisissen en zware besparingen. Mede daardoor is de recentelijke ontvoogding geen sinecure. Voor veel gemeenten is het niet evident om een bepaald niveau aan te houden, omdat ze niet voorbereid zijn op allerlei manipulaties van buitenaf en/of niet voldoende slagkracht en medewerkers hebben om ze het hoofd te bieden. Behalve in de gemeentes die direct gelinkt zijn met het Brusselse, gaat lokale politiek geregeld hand in hand met onmacht, onder invloed van de financiering en subsidiëring door de overheid, de inbreng en eisen van de NMBS en De Lijn, en de samenwerking met private partners die zich toespitsen op woon- en kantoorprogramma’s die steeds meer evolueren tot monofunctionele woonprojecten. Los hiervan zorgt ook de nieuwsoortige aard van de ontwikkelingen op voormalige industriële sites in stedelijke gebieden voor problemen: welke densiteit kan een project aan, wat is echt duurzaam, welke skyline en beeldkwaliteit zijn geschikt voor de locatie? Mons 2015 is het levende bewijs van hoe bepaalde minder opzichtige architecturen meer met stedelijke constanten te maken hebben dan het plotse overgewicht van een geforceerd Bilbao-effect.

Daar sta je dan als stad: kies je voor een geleidelijk, ‘natuurlijk’ proces, of toch voor het architectuurtoerisme en de citybranding en -marketing? In Luik kennen ze het antwoord ondertussen: daar dringt een absurd opzichtige ‘landmark’ zelfs het station van Calatrava in de vergeethoek. Financiële crisis zei u? En toch: hoe lang nog kunnen grote gemeenten en kleine steden verder surfen op het elan dat zo’n twintig jaar geleden werd ingezet? Hoe boksen zij op tegen beperkingen, teruggeschroefde budgetten, winstdervingen, politiek getouwtrek,…?

De projecten en auteurs die in dit nummer van A+ aan bod komen, werden geselecteerd door de leden van de redactiecommissie. A+254 biedt een veelzijdig beeld van de inbreidingsoperaties en uitgebreide samenwerkingsverbanden die in Belgische gemeenten steeds vaker aan de orde zijn. Geen grootste manoeuvres, maar daarom des te meer bruikbare visies op de publieke en stedelijke ruimte.

schrijf je in voor de nieuwsbrief