Edito A+251

gepubliceerd op 19.12.2014 | tekst Christian Kieckens

 

Het is bekend dat er sinds geruime tijd op een andere manier wordt omgegaan met de realisatie van publieke gebouwen en infrastructuur. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er lang geen grenzen geweest aan de financiële euforie en de alles-is-mogelijk-sfeer rond de verwezenlijking van grootschalige publieke projecten. In de crisistijd van de jaren 1970 kwam echter de ommekeer. Margaret Thatchers regering was de eerste die ervoor zorgde dat de inbreng van private middelen aangegrepen kon worden om publieke projecten te verwezenlijken. De PPS (Publiek-Private Samenwerking) werd uitgeroepen tot een eureka-vondst om wat de overheid niet verder kon ophalen, toch via private middelen te verzamelen. Maar vrij snel bleek het geen sinecure te zijn om tot efficiënte en duurzame resultaten te komen, zeker niet in een land als België dat in de laatste decennia een uitverkoop heeft gezien van zijn grootkapitaal en dat zelfs de werkplekken voor zijn eigen ambtenaren via een huur- en/of leasingoperatie diende veilig te stellen.

PPS is het gouden ei van investeerders en beleidsmakers, die van elkaars goodwill gebruik maken om enerzijds winstmarges te genereren en anderzijds politieke blazoenen op te poetsen.

PPS is het gouden ei van investeerders en beleidsmakers, die van elkaars goodwill gebruik maken om enerzijds winstmarges te genereren en anderzijds politieke blazoenen op te poetsen. Door de verdeling in regionale gemeenschappen, met soms heel verschillende belangen en economische mogelijkheden, is het succes van PPS in België echter geen makkelijk te plaatsen fenomeen. De connectie tussen politiek en markt zorgt ervoor dat veel betrokkenen hun lippen op elkaar houden als men hun vraagt naar een kritische bespiegeling omtrent PPS-procedures. En dan hebben we het nog niet over de onzekerheid die gepaard gaat met de verwezenlijking van een dergelijk project. De investeerder moet over voldoende ‘financiële massa’ beschikken; de ontwerpers moeten een robuuste bureauorganisatie hebben; het totale bouwteam kan zich enkel aanbieden in een doorgedreven coherentie in alle gevraagde disciplines – conditio sine qua non om geselecteerd te worden voor deze procedures.
Eerst kenden we een tijd van grote projecten die gemodelleerd werden op de voorkeuren van diegenen die de politieke relaties bezaten. Daarna kwam de periode van de ‘verstandshuwelijken’ (lees: tijdelijke verenigingen) met teams die het grootste potentieel bezaten inzake (inter)nationale samenwerking. Volgt nu een periode van ‘slimme combines’ waarin de architect vaak ondergeschikt is aan de andere teamleden: investeerders, aannemers, ingenieurs… Het reduceert de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de architect tot een minimum, met alle gevolgen van dien voor de gebouwde én niet bebouwde ruimte.
Vandaag worden via deze modaliteiten wel programma’s zoals ‘Scholen van Morgen’, autosnelwegen met bijbehorende ingenieursconstructies, etc. gebouwd, en dat via een diversiteit aan mogelijkheden, gaande van DB (Design & Build) tot DBFM-procedures waarin zelfs de financiering en het onderhoud van gebouwen worden opgenomen. Maar er is nauwelijks een berekening voorhanden van de impact van deze projecten 30 jaar na oplevering. Het is nochtans dan dat de echte (onderhouds)kosten zich zullen voordoen. Wat heeft de toekomst nog in petto voor de volgende generaties, op het moment dat de verantwoordelijkheid voor deze projecten volledig wordt overgedragen aan de gemeenschap? Alles lijkt anno 2014 in kannen en kruiken, maar is dat wel zo?

 

Bestel A+251 hier!

cover © Studio van Son | foto © Filip Dujardin

cover © Studio van Son | foto © Filip Dujardin

 

schrijf je in voor de nieuwsbrief