De grammatica van de architectuur

gepubliceerd op 14.03.2019 | tekst Lisa De Visscher

Museum La Congiunta © Stefan Jäggi

Peter Märkli, een van de belangrijkste Zwitserse architecten, ziet architectuur als een oude taal met een eigen grammatica. Vanuit zijn fascinatie voor classicistische orde en de zoektocht naar de juiste proporties heeft hij een eigen verhoudingssysteem ontwikkeld dat op elke schaal toepasbaar is. Op 26 maart 2019 nodigen A+ en Bozar Peter Märkli uit voor een lezing.

Lisa De Visscher – Je ziet architectuur als een taal. Waarom is de beheersing van deze taal zo belangrijk om architectuur te kunnen begrijpen en ook te kunnen maken?

Peter Märkli – Toen ik, nog op de middelbare school, vertelde dat ik architectuur wilde studeren, bracht mijn natuurkundeleraar me in contact met Rudolf Olgiati uit Flims (Zwitserland). Hij was veel ouder dan ik, en in de vele gesprekken die we samen voerden legde hij me uit waar de verschijningsvorm van een gebouw op gebaseerd is. Hij leerde me dat die vorm niet willekeurig is, maar een betekenis heeft die we kunnen lezen en begrijpen, net zoals om het even welke taal. Dat inzicht gaf mij, als jonge zoekende student, meteen een stevige basis. Ondertussen zijn we 45 jaar later en ik ben nog steeds bezig om de finesses van die taal onder de knie te krijgen.

Architectuur is, net als de schilder- of de beeldhouwkunst, een taal met een eigen grammatica, syntaxis en woordenschat. Bij kunst refereer je steevast aan het verleden, maar omdat heden en toekomst nieuwe vragen met zich meebrengen, moet je de uitdrukkingsvorm van de kunst steeds opnieuw formuleren. Elke generatie heeft haar eigen vragen, daarom ziet kunst er ook steeds anders uit. De beeldcultuur in de architectuur interesseert me bijgevolg niet. Als ik mijn studenten aan de ETH in Zürich probeerde uit te leggen waar het in de architectuur om gaat, toonde ik gebouwen. Niet omdat ik beelden wilde tonen, maar omdat ik hen een taal en haar grammatica wilde bijbrengen.

Iedereen heeft een eigen temperament en drukt zich anders uit. Daarom zijn er bepaalde conventies afgesproken, waardoor ook anderen begrijpen wat je vertelt. Je kunt er natuurlijk van overtuigd zijn dat je het gelukkigst bent in je eentje, en dan heeft dat meteen ook impact op je taal. Maar zodra je in een gemeenschap leeft, samen met anderen, heb je conventies en afspraken nodig. We zijn niet vrij.

Je kunt niet zomaar letters ondersteboven gaan schrijven of werkwoorden onvervoegd laten. Taal verdraagt geen persoonlijke willekeur. Dat geldt ook voor de architectuur. De basis van de architectuurtaal is de geometrie. Ik denk dat die nog elementairder is dan letters. Een lijn, cirkel, vierkant, rechthoek en driehoek zijn de elementen van de architectuur. Twee lijnen naast elkaar kunnen een muur of een straat zijn. Als je een cirkel verbeeldt in de ruimte, kun je voelen dat elk punt dezelfde afstand tot het centrum heeft.

In de Italiaanse renaissancearchitectuur werd deze basisvorm alleen gebruikt voor de doopkapel, waarbij de doopvont in het midden stond, en niet voor pakweg een privéhuis. Dat had niets te maken met fantasie, wel met conventies. Zo zijn er talloze voorbeelden. Als je ze leert kennen, kun je accepteren dat het gaat om een communicatiemiddel. We hebben niet enkel de gesproken taal om emoties uit te drukken. Er zijn verschillende visuele en ruimtelijke talen uitgevonden om te communiceren, en een daarvan is de architectuur.

Toch zie ik dat die taal vaak aan betekenis heeft ingeboet door de invloed van allerhande technologische toepassingen. De exponentiële toename van technische vernieuwingen heeft vele architecten en stedenbouwkundigen afgeleid van de essentie van het bouwen, waardoor ze vervreemd raken van de taal waarin ze zich vanuit hun beroep zouden moeten uitdrukken. Elke architect die de geometrie als basis van de architectuurtaal opzij heeft geschoven, heeft volledig gefaald. Zij die organisch of deconstructief willen bouwen, hebben geprobeerd een eigen taal te ontwikkelen waarbij er zoveel uitzonderingen op de regel bestaan dat de regel zelf uiteindelijk onvindbaar blijkt. Het is toch handig om aan bepaalde conventies vast te houden, zoals een horizontale vloer of tafel. Een taal moet altijd en overal te gebruiken zijn, anders deugt ze niet. Een privétaal die maar voor enkelen geldt, interesseert me niet.

”Ik heb een eigen systeem ontwikkeld dat me een houvast biedt. Het is gebaseerd op de figuur van Leonardo da Vinci en op de figuur van het triangulum.”

Wilt u verder lezen? Het artikel wordt gepubliceerd in de bezoekersgids die de avond van de lezing beschikbaar zal zijn!
Meer info over de lezing en tickets vindt u hier.

schrijf je in voor de nieuwsbrief