De anarchie van het interieur

gepubliceerd op 22.01.2015 | tekst Pieter T'Jonck

De Biënnale van Venetië is goed tweeënhalve maand bezig, en de Belgische inzending doet ondertussen internationaal van zich spreken. Tijd om wat afstand te nemen, en via een achterpoortje nog eens binnen te lopen.

 

© Maxime Delvaux

© Maxime Delvaux

 

Rem Koolhaas legde de landenpaviljoens voor de 14e Architectuurbiënnale van Venetië een strikt thema op. Met ‘Absorbing modernity 1914-2014’ als werktitel, droeg hij de landen op te documenteren hoe nationale tradities en stijlen de gewelddadige schok van de modernisering incasseerden, “zoals een bokser klappen incasseert”.

‘Intérieurs. Notes et Figures’, de inzending van Sébastien Martinez Barat, Bernard Dubois, Sarah Levy en Judith Wielander voor het Belgisch paviljoen ging met die opdracht listig om door de vraag kwansuis om te keren: “A contre-pied d’ une modernité pensée comme phénomène d’ absorption, la considération d’ un patrimoine intérieur donne à voir une architecture vernaculaire qui nous amène plutôt à considérer la manière dont la modernité se trouve elle-même absorbée.” (“Tegenover de notie van de moderniteit als een vorm van opslorping, laat de beschouwing van een patrimonium van interieurs een volkse architectuur zien die eerder uitnodigt om na te gaan hoe de moderniteit zelf opgeslorpt wordt”).

 

Dit project kreeg de dubbele vorm van een boek én een tentoonstelling. Het basismateriaal voor beiden was een groots opgezet veldonderzoek van ‘banale’ interieurs. Banaal, omdat ze geen blijk geven van een bewust geformuleerd programma of idee – net die aspecten waar moderne architectuur op drijft – maar eerder van een ongelijke strijd met de grenzen en beperkingen van een gegeven architectuur.

Het team bezocht daartoe met fotograaf Maxime Delvaux diverse types woningen, op diverse locaties. Van hun interieur werd telkens één groothoekbeeld gemaakt dat een bijzondere omgang van de bewoner met zijn woonst illustreerde. Die werd vervolgens beschreven en schematisch voorgesteld. Elke stap in het onderzoek was zo een verdere abstractie van het oorspronkelijke, vaak overrompelende of chaotische gegeven. 250 van die ‘cases’ (op net geen 1250) haalden het boek.

Op die manier kwamen ‘figuren’ tevoorschijn: termen die treffend samenvatten welke strategie of onbewuste visie ten grondslag ligt aan een interieur. Sommige van die ‘figuren’ zijn erg raak. “De koude haard” (”Le foyer froid”) groepeert bijvoorbeeld een aantal interieurs waar de aloude haard verdrongen is, of overvleugeld wordt, door zijn hedendaagse technologische variant: het tv-scherm.

Dat is meteen ook één van de sterkste ‘figuren’ van de studie. Hier komt iets wezenlijks aan het licht: wonen als een manier van leven waarin oude bestaansvormen blijven doorwerken, doorschemeren, al kregen ze een moderne vermomming. Wat is immers het verschil tussen gedachteloos staren in de vlammen van een haard en onbestemd turen naar een tv?

 

Veel andere ‘figuren’ blijven echter te dicht bij de stilistische rariteiten die opduiken als mensen zonder besef van stijl en planning bricoleren. Zo verzuimden de curatoren om hun initiële hypothese te staven dat het interieur, als praktische uitwerking van een niet-reflexieve benadering van het ‘wonen’, moderne dogma’s schaamteloos een neus zet door oude en nieuwe denkbeelden te verhaspelen, vaak tegen de intenties van de architectuur in. Toch biedt de studie overweldigend veel evidentie voor die stelling, als een ‘retroactief manifest’ van het wonen.

De tentoonstelling zelf geeft dat basismateriaal enkel weer door een paar her en der aan de wand geprikte pagina’s uit het boek. Met subtiele, soms nauwelijks merkbare ingrepen worden vele ‘figuren’ die in de studie bovendreven in een licht geabstraheerde vorm gerepresenteerd als concrete ingrepen op het paviljoen. Zo is er een bizarre suite van standaard hangkastjes, of een betegeling die de ruimte diagonaal in twee sneed. Soms kijk je bijna over de ingrepen heen. Dat de grote doorgang van het portaal naar de centrale hall van het paviljoen ingekrompen werd tot een gewoon deurgat – een doordeweekse ingreep in veel 19e-eeuwse huizen – merk je pas als je weer naar buiten gaat.

 

Die sobere, maar visueel erg efficiënte ingrepen zijn, vergeleken met de overdaad aan (niet steeds trefzekere) informatie in veel andere paviljoens, een verademing. Reden ook waarom het Belgische paviljoen van boven prijkt in de toptien van The Guardian. Een ding vermelde de krant alleszins niet: via de nieuw gecreëerde achterdeur van dit paviljoen betreed je ‘stoemelings’ de volkswijk achter de Giardini (en sluip je gratis de expo binnen). Dat soort anarchisme konden alleen Belgen bedenken.

 

 

schrijf je in voor de nieuwsbrief