Architectuur en PPS

gepubliceerd op 19.01.2015 | tekst Kim Eric Möric

Welke vorm Publiek-Private Samenwerkingen ook aannemen, er is altijd een paradox merkbaar als het om de architectuurdiensten gaat: ze zijn essentieel in de wedstrijdfase maar de waardering die ze krijgen is niet evenredig met hun belangrijke rol.

 

In België zijn PPS-contracten niet onderworpen aan een specifieke reglementering waardoor ze een definitie en een precieze inhoud zouden kunnen krijgen. Het resultaat daarvan is een Belgische praktijk waarin er verschillende PPS-vormen bestaan. Een van de bekendste vormen, maar zeker niet de enige, is de DBFM-overeenkomst waar de opdrachten rond ontwerp, bouw, financiering en onderhoud toegewezen worden aan een en dezelfde opdrachtnemer, vaak in de vorm van een consortium of een projectvennootschap. Er bestaan ook andere PPS-vormen. Ze houden veelal de toewijzing van een bouwopdracht in die gewoonlijk gekoppeld wordt aan een ontwerpopdracht. De andere financierings-, onderhouds- en exploitatievormen zijn al dan niet inbegrepen in de opdrachten van de opdrachtnemer, afhankelijk van de bijzonderheden van elk PPS-project. De paradox van de architectuurdiensten in de PPS-projecten kan in twee delen worden onderscheiden:

 

PARADOX DEEL ÉÉN: architectuur is essentieel in de wedstrijdfase

Het afsluiten van PPS-overeenkomsten door de overheid behoort tot de wetgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten. Bijgevolg is het bijna altijd vereist de PPS-overeenkomsten toe te wijzen na een voorafgaande wedstrijd. Een van de toewijzingscriteria waarmee rekening gehouden wordt bij deze wedstrijd is natuurlijk de voorgestelde prijs. De PPS-overeenkomsten zijn gewoonlijk overeenkomsten die afgesloten worden voor aanzienlijke bedragen en vaak voor een lange periode. In de praktijk merken we niettemin dat de prijs niet het criterium is waardoor de offertes zich van elkaar onderscheiden. Naast de prijs vormen criteria in verband met de kwaliteit van het architecturale ontwerp ook een belangrijk en zelfs essentieel element in de beoordeling van de kwaliteit van een offerte. Zo hield de overheid bij het PPS-project voor de grootste strafinstelling van het land – die gebouwd zal worden in Haren (> A+239) – in de toewijzingsprocedure rekening met het bijzondere ontwerp van de gevangenis.

Het is inderdaad mogelijk om offertes van elkaar te onderscheiden op basis van het architecturale ontwerp. De kwaliteit van dit ontwerp is op die manier een cruciaal element voor het consortium dat meedoet aan de wedstrijd. Elke inschrijver is zich ervan bewust dat de kwaliteit van het werk dat al door de architecten ontworpen is in de offertefase een kans biedt om de belangstelling van de overheid op te wekken en zo de wedstrijd te winnen.

 

PARADOX DEEL TWEE:

De waardering die de architecten krijgen is niet evenredig met hun belangrijke rol.

De voorbereiding van een uiteindelijke offerte in een PPS-project is tijdrovend. De architectenteams van de inschrijvers die deelnemen aan de wedstrijd nemen een groot  deel van de voorbereidingstijd van de offertes op zich. De wedstrijd is vaak belangrijk en er zijn dus noodzakelijkerwijs verliezers en maar een enkele winnaar. De tijd die besteed wordt aan de voorbereiding van de offertes is een verlies dat grotendeels gedragen wordt door de architecten van de niet-geselecteerde inschrijvers. Nochtans wordt er vandaag slechts zelden een compensatie geboden voor de gepresteerde architectuurdiensten van de verliezende offertes. Hoewel ze dus essentieel waren in de wedstrijdprocedure om de offertes van elkaar te onderscheiden, worden deze dienstverleners niet vergoed, of als dat wel het geval is, niet volledig vergoed voor hun geleverde prestaties.

In een PPS-project vormen de architectuurdiensten als zodanig geen belangrijk deel van de totaalprijs van het project. Zo heeft in een DBFM-overeenkomst voor een lange periode slechts een derde van de totaalprijs van het project betrekking op de bouw- en ontwerpkosten van het werk, de rest van de totaalprijs is verdeeld tussen de financieringskosten en de onderhoudskosten tijdens deze lange periode. De architecten zijn veelal ook onderaannemers van de opdrachtnemer of de projectvennootschap, ook al mogen ze niet langer onderaannemer zijn van de aannemers van de werken door de onafhankelijkheidsvereiste die de Raad van State op 22 oktober 2013 bevestigde. Een architect kan trouwens niet reageren op een overheidsopdracht voor een ontwerp/bouw door deel te nemen aan een consortium met een aannemer, omwille van de hoofdelijke aansprakelijkheid die zo een deelname van zijn kant zou inhouden, zoals bevestigd door de Raad van State op dezelfde datum.

Eens de overeenkomst gesloten is, worden de diensten voor het ontwerp van het werk tot slot niet meer beschouwd als een opportuniteit om de gunst van de overheid te winnen maar als een risico; een risico dat een werk duurder zou zijn dan wanneer het op een andere manier ontworpen was. Zo is het niet verrassend dat de architect door het winnende consortium, waarvan hij de onderaannemer is, gevraagd wordt om zijn ontwerp te herzien om te kunnen besparen op de bouwkosten en dat om bijkomende marges vrij te maken, die soms ook noodzakelijk zijn om het hoofd te bieden aan een kostenverhoging in andere posten van het project. Zo kan de architect in een oncomfortabele situatie terechtkomen waar zijn klant (het winnende consortium) hem vraagt om het ontwerp dat hij oorspronkelijk bedacht had in de offertefase te herzien, een ontwerp op basis waarvan de overheid het winnende consortium nochtans gekozen had uit nog andere offertes.

We kunnen daarom vaststellen dat de situatie van de architecten in PPS-projecten complex is. PPS is een opportuniteit voor de architect van de winnende inschrijver (opdrachtnemer) en puur verlies voor de architecten van de verliezende inschrijvers. De architect van de opdrachtnemer probeert nadien, tijdens de uitvoering van de overeenkomst, zo goed mogelijk trouw te blijven aan zijn originele ontwerp, maar tegelijkertijd moet hij toch ingaan op de vragen van zijn klant (de opdrachtnemer) om bepaalde elementen van dit ontwerp te herzien, soms om puur economische redenen.

 

VOORSTEL

Er zijn verschillende reflectiepistes wat betreft deze situatie. Een oplossing zou kunnen zijn – als de werken zich daartoe lenen – het architecturale ontwerp los te koppelen van de andere opdrachten van de opdrachtnemer en van de architect een raadgever van de overheid te maken, onafhankelijk van de opdrachtnemer, wat het reglement dat van kracht is niet belet. We stellen ons voor dat de wedstrijd tussen de inschrijvers dan zou handelen over de prijs, de financieringsvoorwaarden, de kwaliteit van het werk en de spreiding van de risico’s die aan het voorgestelde werk verbonden zijn. Zo zouden de projecten beoordeeld worden op de mate waarin ze afgestemd zijn op het ontwerp dat de architect van de overheid bedacht. Het geselecteerde ontwerp (en de architect die het maakte) zou zelf vooraf gekozen zijn in het kader van een wedstrijdprocedure.

Als de opdrachtgevende macht, dat wil zeggen de overheid, beslist om in deze zin te werken, dan kan dat leiden tot een grotere erkenning van de architectuurdiensten. Wat de overwogen oplossingen ook zijn, met de PPS’en die in België ontstaan zijn uit de praktijk, is het vandaag net een aanpassing van die praktijk die oplossingen zou kunnen bieden.

 

Kim Eric Möric is advocaat, partner in het advocatenkantoor DLA Piper UK LLP. Hij is ook voorzitter van de vzw PPP Wallonie-Bruxelles: réseau de compétences.

schrijf je in voor de nieuwsbrief