KRISTIAAN BORRET WINT CULTUURPRIJS

gepubliceerd op 23.10.2013 | tekst Pieter T'Jonck Prijs

Dit jaar ging de Vlaamse Cultuurprijs voor Architectuur 2013 in C-mine Genk niet naar een architect, maar naar een bouwmeester. Kristiaan Borret is al sinds 2006 aan de slag in Antwerpen, en dat bleef niet onopgemerkt. De jury is onder de indruk van de manier waarop hij daar alle bouwpartners op één lijn krijgt. Jurylid Pieter T’Jonck legt rekenschap af.

bOb Van Reeth benadrukte bij herhaling dat de bouwheer (m/v, uiteraard) de belangrijkste persoon is in het bouwproces. Van hem of haar gaat immers de intentie uit om een bijdrage te leveren aan de stedelijke cultuur en er zelfs zijn of haar stempel op te drukken. De architect probeert daar uitdrukking aan te geven.
Hoewel niet alle bouwers aan deze hooggestemde definitie van het bouwheerschap voldoen, botst elke rechtgeaarde bouwheer zo echter onvermijdelijk op de vraag naar een context voor zijn handelen. Cultuur kan immers niet zonder. Een boek betekent niets als er geen boeken en meningen over die boeken omheen staan. Net zo betekent een gebouw of een plein niets zonder de gebouwen en pleinen die eromheen staan en de gedachten en gevoelens die mensen daarover koesteren. Cultuur vereist gesprek en beschaafd, geïnformeerd en onderbouwd, meningsverschil. Soms duikt het glibberige woord ‘kwaliteit’ op als een slinkse bypass om discussies te ontwijken – iedereen wil kwaliteit, toch? Tot blijkt dat elkeen zich daar toch iets anders bij voorstelt. Cultuur – of kwaliteit – kunnen niet zonder gesprek, en liggen nooit voor eeuwig en onomstotelijk vast.
Het verschil tussen architectuur en boeken is echter ook meteen duidelijk. Gebouwen zijn, anders dan boeken, obstakels. Niet alleen voor de buren maar ook voor (onzichtbare) strategische en infrastructurele oogmerken die allerlei overheden, beheersmaatschappijen en private partijen op de stad projecteren. Om ongewenste obstakels te vermijden zette de overheid daarom vele complexe instrumenten op die zo precies mogelijk bepalen wat ergens wel, en vooral niet mag. De achterliggende grondgedachte verdwijnt daarbij vaak uit beeld. Wat overblijft is een abstracte figuur, een imaginair bebouwbaar volume en een dito bestemming, waar de bouwer mee aan de slag kan. Goede architectuur of stedenbouw heb je daarmee nog niet. Laat staan dat iemand zijn centen wil steken in zo’n luchtkasteel.
Op het terrein kan zelfs blijken dat de optelsom van alle wensen van bus- en treinmaatschappijen, nutsbedrijven, wegenbeheerders, havenbedrijven, ministeries, captains of industry, ontwikkelaars en tenslotte ook erfgoedzorgers, toerismediensten en actiegroepen een draak opleveren. Een plek waar iedereen zo snel mogelijk weer vandaan wil na gedaan werk. De oorzaak is vaak, zo niet altijd, dat de wensen en eisen van al die partijen in de regelgeving naast elkaar staan. Zij praatten weinig of niet met elkaar. Niemand ging na hoe die vele eisen elkaar zouden kunnen versterken en steunen in plaats van enkel maar te tolereren. Dat is de zaak van de ontwerper, de persoon die met één plus één drie kan maken. Maar bij een slecht bestemmingsplan lukt dat niet. De neens liggen vast en een ja valt niet te krijgen. Er is geen gesprek mogelijk. Ergo: geen cultuur. Ergo: niemand geeft een cent om een plek die op papier helemaal ‘klopte’. Alle vakjes afgevinkt, behalve het vakje geven-we-hier-ook-maar-ene-moer-om?
Dit verhaal komt ontwerpers en bouwheren wellicht bekend voor. Al jaren wordt op vele manieren en vele fronten gepleit voor een beleid dat het sectordenken en de rigide regelgeving doorbreekt. Het argument is evident: als partijen samen nadenken over een concreet project komt er zeker iets beters uit de bus dan wanneer ze elk voor zich hun eisenbundels naar de kop van de argeloze bouwer mikken. Maar kan dat? Welja, dat kan, en dat is ook de reden waarom de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Architectuur en Vormgeving dit jaar gaat naar Kristiaan Borret, stadsbouwmeester van Antwerpen, die samen met zijn team sinds 1 april 2006 bewezen heeft dat een ander beleid kan én vruchten afwerpt. Dan nog wel in een stad waar heel veel partijen hun ambities op projecteren en de conflictstof als vanzelf voor het rapen ligt.
 Het bijzondere aan Kristiaan Borrets aanpak bleek al uit zijn ‘mission statement’ bij de aanvaarding van zijn opdracht. Hij zegt nadrukkelijk dat ruimtelijke kwaliteit een uitspraak is, zowel over een plek als over een waardenkader of een ambitie. Ruimtelijke kwaliteit vereist dus een gesprek. Even nadrukkelijk zegt hij dat de stad zelf zijn hand moet uitsteken naar alle betrokken stakeholders, en zich niet mag beperken tot het afvinken van de regeltjes. Niet dat daarom alles mag. Als het over ‘verdichting’ – toch een ‘hot item’ – gaat, zegt Borret expliciet dat die maar mogelijk is als ze de kwaliteit van de stad niet omlaag haalt. Die kwaliteit ontstaat voor hem in de eerste plaats door een goede aanpak van de publieke ruimte, en die mag niet ondergraven worden door een woekering van allerlei quasipublieke, maar feitelijk privé beheerde ruimten of gated communities. Noch door de stad ongebreideld te laten uitwaaieren en verdunnen. Daartoe zijn strategische projecten van het grootste belang.
Grote woorden, prachtige gedachten. Na een slordige zeven jaar in functie blijkt echter dat veel van die denkbeelden ook concreet vorm gekregen hebben. Borret krijgt de stadsdiensten op één lijn. Hij weet het bestuur warm te maken voor de visie die hij ontwikkelt met zijn team. Hij slaagt erin ontwerpers, ontwikkelaars en opdrachtgevers aan tafel te krijgen en te houden. De verklaring is simpel. Ook al is hij soms uitgesproken kritisch, en stuurt hij zijn gesprekspartners al eens terug naar de tekentafel, hij is nooit de ‘vijand’. Hij is het klankbord, de gesprekspartner die vanuit argumenten en onderbouwde meningen vertrekt, maar nooit te beroerd is om het standpunt van anderen te begrijpen en eventueel ook te volgen. Dat kan eigenlijk maar omdat hij (relatief) autonoom is: hij is geen ambtenaar, maar een onafhankelijk adviseur, die vanuit zijn eigen inzet voor een kwaliteitsvolle stedelijke omgeving de specifieke houding van andere partijen kan bevragen en kan bijsturen, maar ook waar nodig nieuwe kwesties aan de orde kan stellen.
Dat pad loopt niet altijd over rozen. Laveren tussen zoveel partijen als er zijn in een stad als Antwerpen vraagt tactisch inzicht, geduld, luisterbereidheid en discretie. Een ‘faux pas’ is heel snel gezet. Het mag een wonder heten dat er op die zeven jaar nauwelijks momenten zijn geweest waarop de stadsbouwmeester gedesavoueerd werd, in de clinch ging met het bestuur of met andere partijen, negatief in de pers kwam, enz. Integendeel is gebleken dat na zeven jaar de meeste mensen die met hem te maken kregen nog steeds van mening zijn dat zijn rol onschatbaar is geweest en werkelijk een kwalitatieve sprong in het ruimtelijk beleid van de stad betekende. De rol die Kristiaan Borret als stadsbouwmeester speelde heeft daarom een meer dan lokale betekenis. Om die reden besloot de jury de Prijs aan hem en zijn team toe te kennen.

www.cultuurprijzen.be

schrijf je in voor de nieuwsbrief