Waar zijn de vrouwen?

gepubliceerd op 15.05.2017 | tekst Lisa De Visscher

Hoewel ze de helft uitmaken van de architectuurstudenten, breken vrouwelijke architecten zelden door tot op topniveau. In ‘Where Are the Women Architects’ onderzoekt Despina Stratigakos, associate professor aan de Universiteit van Buffalo, hoe dat komt.

Al sinds de 19de eeuw werken vrouwen – zij het met mondjesmaat – mee aan het ontwerpen en ontwikkelen van gebouwen. Vanaf het moment dat, dankzij veranderende politieke en socio-economische omstandigheden, vrouwen toegang kregen tot hogere studies, kozen vele voor architectuur. Het aantal vrouwelijke studenten steeg exponentieel vanaf 1960 en maakt vandaag 44% uit van alle architectuurstudenten in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Een gelijkaardige evolutie zien we bij andere studierichtingen die traditioneel als typisch mannelijke werden beschouwd. Toch werken vandaag een pak meer vrouwen op het hoogste niveau in de advocatuur of de geneeskunde dan als partner in een vooraanstaand architectenbureau. Waar zijn al die architectuurstudentes naartoe? Bij hun kinderen? Onderweg afgevallen wegens niet goed genoeg? Despina Stratigakos ontkracht meteen twee van de meest gegeven antwoorden.

De weg naar de top kent voor vrouwen vele obstakels. Toen Margeret Hicks in 1880 als eerste vrouwelijke architecte afstudeerde van de Cornell University, ontketende ze ongewild het debat of vrouwen überhaupt het beroep van architect wel konden en mochten uitoefenen. Voorstanders zagen vrouwen vooral als architecten van het domestieke, als ontwerpers van woningen, of nog beter, keukens en bezemkasten. Tegenstanders waarschuwden voor het beroep dat van vrouwen “geïrriteerde hermafrodieten” zou maken, dan wel “seksueel geobsedeerde wezens, prostituees of lesbiennes”. Dit debat werd gevoerd in vooraanstaande (dag)bladen en de critici – hoofdzakelijk mannen – bekleedden invloedrijke posities. Bijgevolg duurde het tot na de Eerste Wereldoorlog, en soms zelfs tot in 1950, vooraleer architectuuropleidingen hun deuren openden voor vrouwen.

Stratigakos schetst de geschiedenis van de vrouwelijke architectuur in de 20ste eeuw en beschrijft erg treffend de carrière van een aantal opmerkelijke, maar steevast onbekende, vrouwelijke architecten. En daar ligt een tweede pijnpunt: Vrouwen werkten in de 20ste eeuw over het algemeen voor of samen met een mannelijke partner in wiens schaduw ze stonden. Hun realisaties bleven zo onder de radar en vonden hun weg niet naar de geschiedenisboeken of – een derde pijnpunt – de selectiecomités van belangrijke architectuurprijzen. Stratigakos neemt de Pritzker Prize als casestudy waarbij ze het seksisme aankaart, zowel bij de beoordeling van potentiële kandidaten, als bij de evaluatie van de uiteindelijke winnaars. Ze haalt het beroemde voorbeeld aan van Robert Venturi en Denise Scott Brown. Hoewel deze samen een bureau hadden, kreeg enkel Venturi in 1991 de Pritzker Prize. Twee studentes uit Harvard startten in 2013 een petitie waarmee ze druk wilden uitoefenen op het Pritzker comité om dit euvel recht te zetten. Ze verzamelden 12.000 handtekeningen, waaronder die van Robert Venturi en Zaha Hadid, maar het Pritzker Comité hield voet bij stuk.

Als tweede voorbeeld haalt Stratigakos Zaha Hadid aan, die als eerste en tot nu toe enige vrouwelijke architecte de Pritzker Prize mocht ontvangen in 2010. Ze analyseert de reacties in de pers naar aanleiding van deze prijs. Deze bleken zich grotendeels toe te spitsen op Hadid’s gender (kledingstijl, make-up, karakter) en niet, zoals tot dan gebruikelijk was, op het werk en de architecturale verdiensten van de winnaar.

Maar ook buiten het melkwegstelsel van de sterarchitecten is het voor vrouwen moeilijk beoordeeld te worden onafhankelijk van hun gender. Stratigakos citeert uit onderzoek dat aantoont dat op de weg tussen architectuurstudie en het partnerschap binnen een architectenbureau de (potentiële) architect aan een reeks beoordelingen onderworpen wordt die grotendeels door mannen worden uitgevoerd. Op het nu gaat om een presentatie aan de universiteit, een stage, een ontwerpwedstrijd of een promotie binnen het bureau, de professor, stagemeester, het jurylid of de senior architect is in 70% van de gevallen een man. En die kiest – al dan niet onbewust – graag een project of kandidaat waarin hij zichzelf kan herkennen. Deze hang naar identificatie gebeurt overigens in twee richtingen. Ook de vrouwelijk studente/stagiaire/architecte heeft nood aan rolmodellen en die zijn op dit moment nog te schaars.

Als antwoord hierop werkte Stratigakos en haar studenten samen met Barbie fabrikant Mattel aan het ontwerp van ‘Architect Barbie’. Gewapend met helm, knalroze plannenkoker en zwarte Le Corbusier-bril betrad zij de speelgoedwinkel met als doel meer meisjes bewust te maken van het feit dat de praktiserende architect ook een vrouw kan zijn. Stratigakos verenigde feminisme met commerciële tactiek en organiseerde workshops in samenwerking met Mattel én verschillende andere universiteiten waarin lagere schoolmeisjes de beginselen van het ontwerpen meekregen. De onvermijdelijke kritiek op deze wokshops, zowel uit architecturale als uit feministische hoek bleek nadien prima materiaal voor de seminaries rond architectuur en gender.

Stratigakos levert met ‘Where are the Women Architects’ een interessant, goed gedocumenteerd en noodzakelijk werk af waarin op een heldere en academisch onderbouwde manier komaf wordt gemaakt met de vooroordelen rond vrouwelijke architecten en de gaten in de algemene kennis van hun werk. Het onderzoek richt zich echter hoofdzakelijk op de afwezigheid van de vrouwen in architectuurbureaus en vergeet uiteindelijk de vraag in de titel te beantwoorden. Dat antwoord is gedeeltelijk gekend. Vrouwelijke architecten kiezen vandaag minder voor een job als praktiserend architect, maar zijn daarom niet minder werkzaam binnen het brede veld van de architectuur. In administraties, overheden, bouwherenorganisaties en in de culturele wereld zijn vrouwen erg sterk vertegenwoordigd. Al deze sectoren zijn noodzakelijke actoren in het tot stand komen van de gebouwde ruimte. Maar waarom kiezen vrouwen juist voor deze ondersteunende rol? En waar zijn in die sectoren de mannen? Stof voor een tweede boek.

 

Where Are the Women Architects? - Despina Stratigakos
Places – Princeton University Press, Princeton, 2016
isbn 978-0-691-17013-8
www.press.princeton.edu

schrijf je in voor de nieuwsbrief