Rail Time

gepubliceerd op 08.04.2014 | tekst tjm

247_TreinmetvertragingWaar Georges Perec in 1978 met zijn ‘La Vie mode d’emploi’ (A+245) beschrijvingen van flatgebouwbewoners ‘opstapelde’, gooit Van Gerrewey het over de horizontale, chronologische boeg. In ‘real time’ – of is het ‘rail time’ – fileert een alwetende verteller de overpeinzingen en observaties van de reizigers op een trein tussen Oostende en Antwerpen, en stelt hen als spiegels tegenover elkaar, wat soms tot amusante perspectiefwissels leidt. Ze blijken meer gemeen te hebben dan gedacht: ze zijn hyperindividualistisch, ijdel, onzeker, en hoe dicht ze ook op elkaars lip zitten, ze konden niet verder van elkaar verwijderd zijn in hun isolement – de luttele ‘ontmoetingen’ die dan toch plaats hebben, zijn vluchtig, stuntelig, geforceerd of weinig oprecht. Terwijl de trein verdersukkelt, trakteert de verteller ons op meticuleuze beschrijvingen van het landschap, gekaderd door de treinramen – een vaak weinig fraaie tot zelfs ronduit absurde filmstrook van het kapotverkavelde Vlaanderen. Een slimme zet van Van Gerrewey, want waar anders dan in een trein – het vervoersmiddel bij uitstek dat sinds de industriële revolutie zo innig verstrengeld is geraakt met het Belgische landschap – kan die doorsnede naadloos gekoppeld worden aan een doorsnede van de menselijke psyche? Maar net zoals een trein vaak via blinde achterpoorten een stad binnensluipt, is dit mensbeeld arbitrair en weinig representatief – er wordt bijvoorbeeld geen enkele Belg van buitenlandse origine aan het woord gelaten.

Afkomst is hier hoe dan ook minder belangrijk; deze reizigers zijn eerst en vooral consumenten, machteloze sujetten die gedwee hun lot in de handen van de NMBS leggen, die anonieme, reusachtige organisatie wier werking zelfs voor René de conducteur een onopgehelderd raadsel blijft. Het zitten en ‘nietsdoen’ terwijl een trein vordert (of niet), is een noodzakelijk kwaad dat voor veel personages confronterend is: tussen twee stations in zit je in een kooi, ontsnappen is niet mogelijk. De parallel met ons leven is evident: wie een bepaalde weg inslaat is vaak overgeleverd aan de risico’s of onplezierigheden die die ‘reis’ met zich meebrengt.

Niet iedereen is echter van plan zich neer te leggen bij het alomtegenwoordige, door pessimisme gedreven gevoel van onmacht. Zo maken we kennis met het aandoenlijke relaas van Kris, die het verzamelen van Delhaizepunten tot een quasiwetenschap heeft verheven. Zijn “creatief spel” is tot een “kritische overlevingsstrategie” verworden: hij maakt zich namelijk sterk de achterpoortjes van het puntensysteem gevonden te hebben waardoor de supermarkt niet aan hem verdient, maar verliest, en dat hij zo “heel bescheiden, sluipwegen zoekt en vindt die hem toestaan om op een zelfstandige manier een eigengereide consument te zijn, die natuurlijk zoals iedereen gevangen zit in de consumptiemaatschappij, maar die toch de regels en de wetten voor een gedeelte zelf bepaalt, en zo minstens de illlusie van zelfbeschikkingsrecht in leven houdt.” Doch in een trein met vertraging smelt die illusie snel weg, zoals de liters roomijs die hij – samen met andere producten die hij niet nodig heeft en anders nooit gekocht zou hebben – aangeschaft heeft.

Roos, een doctoraatsstudente die net een punt gezet heeft achter de relatie met een jongen die haar een jeukende geslachtsziekte cadeau deed, trotseert moedig de begeerlijke blikken van Marc, een vrouwenvisser in de treinfuik. Terwijl ze Mahlers ‘Lieder eines fahrenden Gesellen’ beluistert, prakkiseert ze over vaak al te simplistische maatschappijkritiek die ontevreden mensen uiten: “Misschien beseffen ze niet dat hun toestand en de toestand van de wereld niet eens zo slecht is; misschien is klagen over het kapitalisme nog het meest kapitalistische van al!”

Dirk hoopte in de trein rust en concentratie te vinden om zijn tekst over de receptie van kunstwerken verder bij te schaven, maar hij voelt zich onbegrepen door de receptie van zijn tekst door Ball, de eindredacteur van het tijdschrift ‘De Evergreen’. Die heeft het lef om zijn beweringen tegen te spreken: 

Als er iets ontbreekt vandaag, dan is het de kunst van de beschrijving, het langzaam en aandachtig kijken, het trage en voorzichtige aanvoelen van wat iets zou kunnen zijn – aan snelle meningen, vooroordelen, agressieve uitspraken en ideeën is er toch helemaal geen gebrek?

Zijn writer’s block is compleet, en elke afleiding een excuus om niet verder te werken. Hij is het tegendeel van Ball, maar ook van de voorzichtige, secure verteller die zich dankbaar laaft aan de gecondenseerde handelingen in deze microkosmos. Ook die laatste blijkt een van de reizigers die hun medemens bespieden en daarbij werkt zijn verbeeldingskracht op volle toeren, met alle Hineininterpretierungen van dien. In “15:44–15:49 (Fons)” valt de verteller uit zijn rol door de ontmoeting met ‘Fonske’, een oude bekende. Opeens komt er hier een ‘ik’247_ChristopheVanGerrewey_c_koenbroos aan het woord die in vergelijking met de rest van het boek een minder geforceerde, meer familiaire taal bezigt.

Hoewel een roman als deze voor Christophe Van Gerrewey (FWO-aspirant aan de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw (UGent) en vaak gepubliceerd auteur in A+) een welgekome afwisseling geboden moet hebben, is de achtergrond van de auteur nooit ver weg. Zowel in zijn methodische beschrijvingen van ruimten (wist u dat de analyse van een trein-wc meerdere pagina’s in beslag kan nemen?) als van mensen, loert het architectuurjargon steeds om de hoek: een meisje kan “uit zijn voegen” geraken; een T-shirt is een “theaterwand” tussen “twee gordijnen” van een openhangend jasje; een enkel die gehuld is in de polyamide van een panty, wordt een “schaduwvlek op het duistere marmer”; en ogen kijken rond “vanuit hun door de klep van de pet deels overkapte omgeving.” Die beeldspraak ontmenselijkt de personages, en zet hen neer als een talige constructie, een radertje in een machinerie die vanzelf voortrolt en die haar eigen sporen legt: “Als je zwijgt kom je niet terecht in dat web waar je niets mee te maken hebt, omdat de uitdrukkingen van anderen zijn, omdat ze je zijn opgedrongen, […] Net daarom zijn ze de oorzaak van alles.”

Waar het bij de verteller, net zoals bij bijvoorbeeld Roos, dan ook lijkt om te draaien, is deel uit te maken van “iets dat werkte en functioneerde, en waarin mensen op een gereserveerde manier deze functionaliteit respecteerden, voornamelijk door elkaar met rust te laten.”

Deze roman functioneert, maar niet zonder haperingen. De beschrijvingen zijn vaak te uitgesponnen en te expliciet, wat nu eens verveling, dan weer het vermoeden wekt dat Van Gerrewey geen hoge hoed opheeft van zijn publiek – hoewel de vele intertekstuele verwijzingen zijn literaire aspiraties op hun beurt kracht bijzetten. Voor pendelaars zijn de vele, soms banale overpeinzingen erg herkenbaar; op hen die nooit de trein nemen moeten ze vaak een erg exotische indruk maken. Maar de auteur houdt zich ver van excessen: de trein heeft weliswaar aanzienlijke vertraging opgelopen – zodat de eindhalte verlegd wordt van het door W.G. Sebald in ‘Austerlitz’ tot in de puntjes beschreven Antwerpen-Centraal met zijn ‘salle des pas perdus’ naar het veel minder dramatische Antwerpen-Berchem –, toch ontspoort de situatie niet: reizigers zijn elkaar niet in de haren gevlogen, niemand trok aan de noodrem, de schichtige conducteur werd niet gemolesteerd. Bijna opgelucht constateert die laatste: “de verwachtingen zijn niet ingelost; waarschijnlijk is niemand tevreden – en toch gaat het zo meteen weer verder.”

 

Trein met vertraging
Christophe Van Gerrewey
De Bezige Bij, Antwerpen, 2013
isbn 978-90-8542-506-9
www.debezigebijantwerpen.be

schrijf je in voor de nieuwsbrief