Over REM

gepubliceerd op 15.05.2017 | tekst Gitte Van den Bergh

Tomas Koolhaas waagde zich aan een eerste langspeelfilm, en niet zomaar één. Als zoon van besloot hij in een documentaire zijn wereldberoemde vader in beeld te brengen. ‘REM’ debuteerde in 2016 op het filmfestival van Venetië. Op 8 mei 2017 vond de première plaats in Brussel in aanwezigheid van Tomas, die zowel de regie, productie als montage op zich genomen heeft. 

Vier jaar volgde Tomas zijn vader in een poging diens filosofie en architectuur vast te leggen. Beelden van de werkende, reizende en denkende architect worden afgewisseld met enkele iconische gebouwen zoals de CCTV-toren in Beijing en ‘De Rotterdam’. Een groot aandeel van de film wordt begeleid door de Engelstalige ‘voice-over’ van Rem, die hierdoor zichzelf in vraag lijkt te stellen.

De visie van Koolhaas junior is duidelijk: hij wil afstappen van de traditionele documentaire waarbij architectuur van op een afstand wordt bekeken en bekritiseerd. De schijnbaar willekeurige opeenvolging van beelden – soms iets te letterlijk plaatje bij praatje – maakt dat de kijker wordt meegesleept in een soort ‘stream of consciousness’. Tomas beschrijft het resultaat als een “snapshot of how Rem thinks”. Dit idee wordt ondersteund door de bijna ononderbroken instrumentale muziek; er is slecht één minuut stilte in de hele documentaire.

Behalve de voice-over, krijgen we op regelmatige tijdstippen in de film quotes van Rem te lezen. Enerzijds delen ze de film op in enkele kernthema’s en versterken ze het subjectieve perspectief, anderzijds breken ze het ritme van de film en het meeslepende effect van de gedachtestroom.  

Tomas weet film als medium maximaal in te zetten in de openingsscène. In een meeslepende montage volgt hij een danser op diens parcours over trapleuningen en doorheen zalen van het Casa da Musica in Porto. Het fragment dat de danser zich afzet tegen de akoestische wandpanelen, en je de indruk hiervan in slow motion zich naar zijn originele vorm ziet herstellen, maakt dat je als kijker de zachtheid van het materiaal bijna kan voelen. Deze aanpak doet denken aan het werk van Bernard Tschumi, die onder andere in de ‘Screenplays’ (1976) de relatie tussen gebeurtenissen en architecturale ruimtes verkent aan de hand van sequenties. De regisseur benut op een gelijkaardige manier de mogelijkheid van film om architectuur op een bijzonder realistische manier over te brengen, en het is jammer dat hij het bij deze ene sequentie heeft gelaten. 

Ter illustratie van de denkwijze van Koolhaas dat elk gebouw twee levens heeft – het leven bedacht door de architect, en het leven na de bouw wanneer het werkelijk gebruikt wordt – schakelt de documentaire enkele malen over naar interviews met gebruikers en bewoners. In elk interview zit wel een leuke anekdote – zo vertelt een dakloze man hoezeer hij de Seattle Central Library weet te appreciëren omwille van de lichtinval -  maar vaak blijft het bij algemene uitspraken wat de architectuur betreft, en is een dieper inzicht of kritische reflectie zoek.

De band met zijn vader heeft een weerslag op de intimiteit van de film, waardoor Rem bij momenten op een heel menselijke manier naar voor komt. Rems beschrijving hoe hij na alle drukte zijn zonen en kleinkinderen rondleidt op de biënnale, en beseft dat zij volwassen zijn – gevolgd door een beeld dat hij lachend zijn kleinzoon op een golfkarretje zet, maakt dat je de ‘starchitect’ vergeet en ook opa Rem leert kennen. Deze al dan niet charmante tweedeling, legt de vinger op een sluimerend probleem: het lijkt niet duidelijk wat het doel van de documentaire is, wat we ervan moeten onthouden of voor wie het bedoeld is. Het blijft enigszins te oppervlakkig voor de architectuurliefhebber, maar ook wel te specifiek voor een leek. De film gaat heel veel kanten uit, raakt veel interessante topics aan, maar heeft de neiging in die veelheid zijn focus te verliezen. 

 

schrijf je in voor de nieuwsbrief