Office Kersten Geers en David Van Severen – Deel 2

gepubliceerd op 10.05.2016 | tekst Pieter T'Jonck

WEB_Office kgdvs

Ter gelegenheid van de tentoonstelling in Bozar van het bureau Office Kersten Geers David van Severen (Office KGDVS) verscheen een boek dat de projecten 56 tot 130 van hun oeuvre documenteert. Twee andere delen in wat een reeks van 3 boeken moet worden die alle werken tot op heden, ruim 200 stuks, documenteren, verschijnen in het najaar. Dit boek is dus geen catalogus, al is het wel een bijzondere uitgave omdat de stofwikkel omheen het boek een beeld geeft van de tentoonstelling in Bozar. Maar er is wel meer dat dit tot een bijzonder boek maakt.

De vormgeving van het boek door Joris Kritis bijvoorbeeld. Die best wel bijzonder. De harde cover van het genaaid gebonden boek is extreem neutraal: op een blauw cijfer 2 na staat er niets op het lichtgrijze karton. Dat blauw is overigens exact hetzelfde als dat van de band. De rug geeft iets meer informatie: ‘156-130 Office Kersten Geers David Van Severen’, terwijl de achterkant de naam van de uitgever,  ‘Verlag der Buchhandlung Walther König’. Daarmee moet je het stellen. Het dubbele schutblad geeft vooraan niets meer prijs op de naam ‘Office KGDVS’ na. Pas bij de gestreken, glanzende bladen die volgen komt de hele titel van het boek, de inhoudstafel en tenslotte het openingsesssay van Christophe Van Gerrewey, verlucht met kleine beelden van architecten of werken waaraan hij refereert, die ingevoegd zijn als voetnoten onderaan de bladzijde.

Pas dan volgen de projecten. Ze worden systematisch gepresenteerd met eerst een tekst, dan plannen en foto’s en tenslotte, in enkele gevallen, een korte essayistische tekst van auteurs als Go Hasegawa, Ellis Goodman of de architecten zelf. De projectbeschrijvingen stoppen soms midden op een bladzijde, waarna het volgende nummer meteen volgt, en niet pas op de volgende bladzijde. Net als de neutrale nummering van de projecten en de uniforme presentatie wijst het er op hoe één logica en idee het oeuvre als geheel beheerst, of hoe elk project dus met het geheel verbonden is en omgekeerd. De enige onderbreking in die ‘flow’ zijn telkens vier matte, grijze bladzijden zoals het schutblad. Ze bevatten foto’s van Bas Princen en Stefano Graziano. Het zijn registraties van projecten, maar ook beelden van architecten als Aldo Rossi, Robert Venturi, James Stirling of Adolf Loos waar de architecten affiniteit mee hebben (kijk bijvoorbeeld naar de gelijkenis tussen de trap in Office 62-City Villa en de trappartij in villa Müller in Praag).

Het inleidend essay van Christophe Van Gerrewey verheldert de bijzondere positie en de consistentie van het oeuvre van Office KGDVS uitstekend. Hij toont aan dat Office KGDVS  streeft naar een architectuur die niet, zoals het gros van de productie van de laatste 50 jaar babbelziek is, maar juist aan dat gebabbel vooraf gaat. Het biedt een kader voor het leven maar voegt daar zelf geen eigen (talige) inhoud aan toe. Hoe de verhouding met de gebruiker dan begrepen kan worden licht hij toe met ‘The Names’, een verhaal van Don De Lillo. Die stelde vast dat de Atheense Acropolis helemaal niet tot ontzag leidde bij de talloze bezoekers, maar hen juist emotioneel raakte en zo tot spreken bracht. Net daardoor wordt dit monument ook weer deel van het leven van de stad, en is het geen afgezonderd, tijdeloos, rationeel en hooghartig object. Met een referentie naar Le Corbusiers studie van diezelfde Acropolis in zijn ‘Carnet du voyage d’ Orient’ uit 1911 weet van Gerrewey ook overtuigend te demonsteren hoe Office KGDVS op een even ‘schilderachtige’ (‘picturesque’) manier de situatie kan uitbuiten om de gebouwen op hun voordeligste, meest aansprekende manier te laten verschijnen.

Het essay gaat daarna grondiger in op de betekenis van deze attitude in een tijdperk waarin de context van elk architectuurobject alleen maar als een ‘even covering of the field’ kan beschreven worden, of anders gezegd, als een situatie waarin de ruimte, in West-Europa althans, volledig bezet is met gebouwen die allemaal om aandacht smeken. Office KGDVS onderscheidt zich hier net door de weigering om op te vallen. Het kantoor bedenkt gebouwen die contextuele, functionele en rituele aspecten van het hedendaags leven een kader te bieden waarin ze zich kunnen ontplooien, maar dat kader dringt zich niet onnodig op. Hij wijst er ook op dat zoiets niet betekent dat deze architectuur ‘droog’ zou zijn of voorbij zou gaan aan ‘functionele’ vragen. Met nadruk geeft hij aan dat dit oeuvre zich nu net bijzonder veel moeite getroost om telkens een aansprekende materialisatie en vorm te bekomen, en ook zeer secuur antwoord biedt op praktische vragen. Maar die vragen meteen ook weer overstijgt. Dat maakt het oeuvre zo bijzonder. Daarom trekt het op dit ogenblik ook wereldwijd de aandacht. 

 

Office Kersten Geers David Van Severen – Volume 2 – 56-130
Buchhandlung Walther König, Keulen, 2016
isbn 978-3-86335-925-6
www.buchhandlung-walther-koenig.de

schrijf je in voor de nieuwsbrief