Maatwerk

gepubliceerd op 17.10.2016 | tekst Pieter T'Jonck
© Uwe Dettmar

© Uwe Dettmar

Binnenkort staat de Nederlandstalige literatuur in de kijker op de Frankfurter Buchmesse, maar de architectuurwereld was de literatuur een stapje voor: In het Deutsches Architektur Museum DAM loopt nu al veertien dagen eerder een tentoonstelling over architectuur uit de lage landen, onder de titel ‘Maatwerk’. Het was Peter Cachola Schmal, directeur van het DAM, die op de idee kwam om mee te surfen op de aandacht voor de Buchmesse. Begin 2015 sprak hij Christoph Grafe en Sofie De Caigny van het Vlaams Architectuur Instituut aan over dat idee. De Caigny nam daarna de rol op van curators voor een tentoonstelling die een beeld geeft van de architectuur van de laatste 30 jaar in de Lage Landen.

Die kreeg de titel ‘Maatwerk’. Het is een enigszins geforceerde poging om achter de aanzienlijke verschillen tussen de architectuur uit Vlaanderen en Nederland toch gelijkenissen te ontwaren. In de catalogus argumenteren Grafe en De Caigny echter dat de term toepasselijk is omdat al de getoonde projecten op één of andere manier grensverleggend waren door hun technologie, hun concept, of hun relatie tot de context. Dat klopt, al blijft het op het eerste gezicht wel een vage gemene deler.

Een en ander werd echter veel helderder door het symposium dat het VAi organiseerde voor de opening van de tentoonstelling. Daarin kwamen telkens twee sprekers aan bod die elk 10 minuten één aspect van de idee ‘Maatwerk’ onder de loep namen. De spits werd afgebeten door Willem-Jan Neutelings van Neutelings-Riedijk Architecten en Ralf Coussée van Coussée en Goris architecten. Zij behandelden het thema ‘stad en schaal’. Met een verwijzing naar het boek  ‘Liquid Life’ van Zigmunt Bauman stelde Neutelings dat identiteit een probleem is in onze samenleving. Volgens hem biedt architectuur daarvoor, alvast op stedelijk niveau, een remedie. Hij verwees naar het voorbeeld van middeleeuwse belforten als bron van stedelijke identiteit en trots, om dan in te zoomen op zijn Museum aan de Stroom (MAS) in Antwerpen. Ook een soort belfort, dat mensen aanspreekt door zijn materialiteit en ornamentiek. Maar het is vooral doordat het gebouw de publieke ruimte van de stad binnen zijn volume doortrekt dat mensen er zich mee gaan identificeren en het zo een bron van fierheid wordt. 

Ralf Coussée stelde de grote nieuwe bibliotheek aan de Waalse Krook in Gent voor. Meteen stelde hij dat die Waalse krook, een bocht in de Schelde in het stadshart, van belang is voor heel Gent, maar toch van die stad is afgesneden doordat er geen wandel- of fietswegen doorheen lopen. De essentie van het project van de Waalse Krook bestond er dan ook in om op 2 niveaus 3 bruggen van en naar het schiereiland aan te leggen. Het gebouw zelf creëert met zijn gebogen vorm en zijn terrassen een dubbele publieke ruimte rond het gebouw: aan de kant van de bestaande huizen ontstaat een onregelmatige markt zoals er zoveel zijn in Gent, aan de andere een open park aan de waterkant.

Het tweede thema, ‘Mensen’, werd aangepakt door Mathieu Kastelijn (KAW) en Oscar Rommens (Import Export Architecture). Hier ging het er over hoe ruimtelijke vraagstukken op maat van de gebruiker opgelost worden. Of nog: over het engagement dat de ontwerper aangaat met actoren zoals kunstenaars, makers, het (lokale) beleid en omwonenden. Rommens ging uitgebreid in op de aanpassing van Theater De Maan in Mechelen. De opvallend met ‘gekreukte’ goudkleurige aluminium beklede doos boven het café bleek de uitkomst van een lang proces. Import-Export gebruikte het café als katalysator om een eerder mislukte ontwikkeling weer op de rails te krijgen.

Matthieu Kastelijn deed het relaas van een erg heikele opdracht: de sanering van een verloederde volksbuurt, de ‘Vogeltjesbuurt’, in Tilburg. De bestaande sociale woningen waren in zo slechte staat dat sloop en vervanging de enige oplossing bleek, maar de buurt verzette zich daar sterk tegen vanuit de wetenschap dat na zo’n sanering veel oorspronkelijke bewoners niet terugkeren en de sfeer in de wijk verloren gaat. Door een intensieve betrokkenheid van de bewoners bij het project, een strikte kostprijsbeheersing en, vooral, een vernuftig opgezet bouwproces, slaagde KAW er hier in om maar liefst 80 % van de oorspronkelijke bewoners ter plaatse te houden, onder veel betere woonomstandigheden weliswaar.

‘Texture’ was het derde aspect dat aan de orde kwam. Onder het motto van Paul Scott ‘the past becomes a texture, an entrance to our presence’ ging Job Floris van Monadnock diepgaand in op de totstandkoming van vele, vaak ongewone keuzes in ‘The Atlas House’ in Eindhoven. Net zo ging Jan Vermeulen van Studio Thys Vermeulen in op de vele afwegingen die speelden bij de vormgeving van een project voor ouderenhuisvesting. Vermeulen benadrukte in zijn voorbeelden sterk het belang van lichamelijke ervaringen als middel om betekenis via architectuur over te dragen.

Op het einde ging het tenslotte over ‘Ritme’, maar zowel Marieke Kums van Studio Maks als Inge Vinck van DVVT hadden het haast uitsluitend over concrete keuzes van materiaal en uitvoering. Kums deed dat met een opzienbarend bezoekerscentrum in een 19e-eeuws park in Vijversburg. Het centrum moest aansluitend bij een grote, oude villa. Kums imponeerde met verbluffende details en technieken voor een gebouw waarvan de gekromde wanden uitsluitend uit glas bestaan. Inge Vinck gaf dan weer een erg humoristische lezing over het gebruik van structuur en kleur in de renovatie van het dienstencentrum in Ledeberg. Ze toonde hoe soms eigenaardige details het resultaat zijn van een mix van eigen beslissingen, een sluwe omgang met de eisen van het agentschap Onroerend Erfgoed en toevallige ontdekkingen of ‘fouten’ op de werf zelf.

Lara Schrijver rondde het symposium af met enkele slotbedenkingen. Ze zag in al het getoonde werk een grote zin voor een geëngageerde, en tegelijk experimentele omgang met een concrete context. Ze wees verder ook op het sterke plezier in het maken dat uit vele ontwerpen sprak, en op de sterke empathie voor dingen en objecten op zichzelf. Dat symposium werd met die slotwoorden meteen de best denkbare introductie tot de tentoonstelling zelf.

Daarvoor verzamelde De Caigny 62 maquettes, van diverse schaal, grootte en afwerkingsniveau. Samen hangen ze een sterk beeld op van 35 jaar architectuur. Die keuze vormde een zekere beperking: er moest namelijk een maquette voorhanden zijn. Reden waarom enkele cruciale projecten hier niet figureren. Wat er wél staat is echter verbluffend relevant. Pronkstuk is de maquette voor de Sea-terminal in Zeebrugge van OMA (Rem Koolhaas), meteen ook het enige niet gerealiseerde project. De impact ervan was echter zo groot dat het hier niet mocht ontbreken. 

De curatoren voegden aan elke maquette ook een foto toe van de huidige context van het gebouw. Die werden speciaal voor de gelegenheid gemaakt door Stijn Bollaert en Michiel De Cleene. Het zijn intrigerende beelden: ze focussen niet op de gebouwen, maar op hun omgeving. Dat creëert een interessante spanning met de maquettes, die vooral het ontwerp in de kijker zetten. In de catalogus zitten er meer van die beelden. Ze maken de titel ‘Maatwerk’ toch wel tastbaar waar het over de relatie van gebouwen met hun context gaat. 

De tentoonstelling dankt zijn impact in niet geringe mate aan de scenografie van het duo Marius Grootveld en Jantje Engels. Ze zijn zowel als architect, scenograaf en onderzoeker actief in Nederland en België. Ze kampten met de erg krappe ruimte binnen DAM, maar losten dat briljant op. De maquettes staan op geschakelde vierkante tafeltjes met een gordijntjes eromheen. Daardoor krijgt elk tafeltje iets van een theatertje dat een wondertje toont. Het werk perfect.

Hun belangrijkste bijdrage is echter een tweede tentoonstelling in de tentoonstelling. Daarvoor traden ze zelf als curator op. Op een minuscuul hoekje van de zaal creëerden ze een kleine ‘Wunderkammer’. Ze stapelden tafeltjes wel vier rijen hoog op elkaar, een beetje kris kras, zodat bezoekers er zich verdringen. Hier tonen ze werk van maar liefst 32 ‘jonge’ architectenbureaus. Anders dan in de hoofdtentoonstelling tonen ze echter niet alleen ‘affe’ ontwerpen. De ontwerpers stuurden naast maquettes ook vakantiekiekjes in van gebouwen die hen inspireerden, of testmodellen, of zelfs ‘objects of desire’. 

Op het eerste gezicht verwarring troef, maar als je wat langer kijkt ontdek je wel gemene delers. Deze generatie is bezeten door materiaal en constructie. Ze zoekt haar inspiratie in de hele architectuurgeschiedenis en harkt niet enkel in de erfenis van hun directe voorgangers. De objecten die hier uitgestald zijn ogen bovendien vaak als echte kunstwerken of denkmodellen eerder dan als maquettes. Je kan zo vermoeden dat deze ontwerpers een erg brede blik koesteren. Ze snorren niet zelden rond in beeldende kunst, fotografie of literatuur. Er staan ons nog mooie dingen te wachten.

 

MASSARBEIT. Custom Made Architecture from Flanders and the Netherlands
tot 12 februari 2017
DAM, Frankfurt
www.dam-online.de

schrijf je in voor de nieuwsbrief