Het landschap als hefboom voor kritiek

gepubliceerd op 14.06.2017 | tekst Pieter T'Jonck

Landscape_as_urbanism_a_general_theory_charles_waldheim

Begin dit jaar bracht de Canadees-Amerikaanse Harvardprofessor Charles Waldheim zijn onderzoek naar landscape urbanism en ecological urbanism samen in een nieuw boek. Dat is sterk op de Amerikaanse context gericht, maar ook relevant voor recente ontwikkelingen in Europa.

In ‘Landscape as Urbanism: A General Theory’ toont Charles Waldheim aan hoe diverse ontwikkelingen, zoals het streven naar duurzaamheid, de transitie naar een post-fordistische ‘creatieve economie’ of een avant-gardistische ontwerppraktijk elkaar troffen in een hernieuwde belangstelling voor het landschap als drager van stedelijke of regionale ontwikkeling. Over één ding is de auteur meteen duidelijk: het landschap is geen categorie die tegenover het stedelijke staat, maar heeft er een diepe historische band mee. Zonder een stedelijke cultuur zou niemand ooit het concept ‘landschap’ bedacht hebben.

Landschap, zo merkt Waldheim op, is bovendien een vlag die vele ladingen dekt. Het was oorspronkelijk een genre in de schilderkunst. Pas later werd die kijk op de wereld de hefboom voor concrete ingrepen in het landschap. Die blik was van meet af aan stedelijk. Landschapsontwerp is daarmee zowel een cultureel artefact als een designtool. Toch kende het, zeker in de 20ste eeuw, weinig cultureel prestige. Het was het wat dommige neefje van het stadsontwerp, of de vertaling van ruimtelijke planning.

Ondertussen zijn de rollen duidelijk omgekeerd. Het landschapsontwerp blijkt als medium veel beter in staat om typisch laat-moderne programma’s als luchthavens, grote infrastructuren of mobiliteitsknopen te ‘denken’. Het blijkt ook plausibelere antwoorden te bieden op fenomenen als ‘shrinking cities’ of ‘brownfields’ en is als vanzelf gericht op groeninfrastructuur en duurzame ontwikkeling. Terwijl stadsontwerpers zich in de afgelopen decennia steeds meer verloren in (retrograde) projecten die vooral de 1 procent ten goede kwamen, stond landschapsontwerp steeds vaker voor een collectief ruimtelijk project. ‘Making city’, niet als een kwestie van beton en baksteen, maar als een antwoord op een snel veranderende economie en samenleving, waarin ‘flux’ en ‘onvoorspelbaarheid’ de toon aangeven.

Waldheim ziet zo een onwaarschijnlijk bondgenootschap tussen de postmoderne avant-garde en de ecologische beweging ontstaan. De ontwerpen van Rem Koolhaas en Bernard Tschumi voor Parc de la Villette in Parijs ziet hij als symbolisch startpunt. Beiden zetten in op programma en ‘event’, in plaats van ‘stijl’. Het gaat, dixit Koolhaas, om ‘congestion without matter’. In die ontwerpen, net als in de vele andere die Waldheim bespreekt, is het landschap de basis voor, zelfs aanjager van, een verdichting, niet in gebouwde oppervlakte, maar in sociale relaties. Vandaar lijkt het maar een kleine stap naar ideeën als ‘stedelijke ecologie’ of ‘bottom-up planning’. De facto keert Waldheim de klassieke rollen om. Voor hem staat de sociale sfeer voorop en moet de planning die uitvoeren. De traditie daarentegen wil dat planning de sociale evolutie uittekent voor ze realiteit is.

 

Patroon

Waldheim bezorgt die ontwikkeling belangrijke en onverwachte historische antecedenten. Zo redt hij Ludwig Hilberseimers project voor Lafayette Park in Detroit van de vergetelheid, wanneer hij aantoont hoe dat ontwerp een zinvol antwoord gaf op de ‘sprawl’ van de naoorlogse stad. Prikkelend is zeker zijn analyse van Rome. De eeuwige stad kende binnen de Romeinse omwalling lange tijd grote onbewoonde zones, de ‘desabitato’. Le Lorrain fascineerde heel Europa met zijn verbeelding ervan. Dat biedt, suggereert Waldheim, een heel ander perspectief op de huidige ontvolking van Detroit. 

Toch maakt dit boek de ambitie van een ‘algemene theorie’ niet echt waar. Daarvoor steunt Waldheim teveel op casestudy’s. Zijn uitgebreide kennis van het terrein brengt wel een opmerkelijke ontwikkeling in kaart en ontdekt er een patroon in. Zo verbindt hij op een overtuigende manier schijnbaar niet-gerelateerde ontwikkelingen op vele terreinen, ook buiten de discipline van het landschapsontwerp. Die essayistische trek is de grote verdienste van het boek: het zet aan tot nadenken over het (kritische) potentieel van alternatieve ontwerp- en planningsprocessen. Daarvan zien we hier in België, met projecten zoals ‘Metropolitane landschappen’ of ‘Kolenspoor‘ ook overduidelijk de sporen.

Het is echter niet omdat je een overtuigend patroon ontdekt, dat er een theorie ontstaat. Daarvoor berust Waldheims betoog op een te smalle basis. De verwijzingen naar Roland Barthes of Europese sociolinguïstiek en kritische literaire theorie zijn bijvoorbeeld te weinig pertinent om meer te worden dan een academische panacee. Storend, en verbazend voor een academische uitgever als Princeton University Press, zijn daarnaast enkele enorme zetfouten. Toch is ‘Landscape as Urbanism’ een inspirerend boek. 

 

Charles Waldheim: Landscape as Urbanism
Princeton University Press – New Jersey, VS, 2016
isbn 978-0-6911-6790-9
www.press.princeton.edu

schrijf je in voor de nieuwsbrief