Tussen de New York Five en Antwerp Six

gepubliceerd op 03.10.2016 | tekst Philippe De Clerck

p12_autonomousarchitecture

Het werk van Robbrecht & Daem en van Christian Kieckens behoeft geen nadere introductie meer en ondanks haar discretie werden er toch twee kwalitatief hoogstaande monografieën gepubliceerd over het werk van Marie-José Van Hee. Dit verklaart dan ook waarom ‘Autonomous Architecture in Flanders’ niet bedoeld is als kennismaking met het werk van deze architecten. De grafische delen domineren allerminst en de voorstelling van hun projecten neemt zelfs maar een klein deeltje van het boek in. Geen monografie dus, wel een naslagwerk waarin de auteurs via een gevarieerde inhoud het belang van het vroege werk van voormelde architecten en van criticus Marc Dubois in de totstandkoming van een kwalitatieve architectuurcultuur in Vlaanderen wensen te belichten.

Het boek is grotendeels opgesteld door wetenschappers en de gefundeerde en onderbouwde artikels hanteren een academische stijl. Een aantal van de bijdragen richt zich duidelijk tot een publiek met kennis van zaken wat betreft geschiedenis en theorie van architectuur, en dat reeds vertrouwd is met het werk van deze architecten. Uit de artikels blijkt dat deze ‘generatie van 1974′  haar oorsprong kent in een school in crisis, en in een Vlaanderen waar de architecturale cultuur nagenoeg onbestaand is. We krijgen het relaas van de strijd van deze “generatie” om de leemte op te vullen met de oprichting van de eerste culturele structuren. Verder wordt ook grondig beschreven hoe zij architectuur herontdekken als discipline met een ruimtelijke kwaliteit die los staat van de “melioristische” idealen die het werk van hun voorgangers kenmerkten, en komen we meer te weten over hun speciale band met beeldende kunsten en interieurobjecten.

Slechts een van de artikels heeft als onderwerp de architectuur zelf die Kieckens, Robbrecht, Daem en Van Hee in hun beginperiode hebben ontwikkeld. Caroline Voet wijst daarin op de bijzondere en respectvolle manier waarmee ze met geschiedenis omspringen zonder te vervallen in historicisme. Het is pas in het tweede deel van het boek dat er enkele architectuurprojecten  worden voorgesteld aan de hand van documenten en illustraties.

Dan wordt plaats gemaakt voor een vrijere kijk met als penvoerders een aantal praktiserende architecten. Een specifieke vermelding waard is de bijdrage van William Mann die een prachtig beschreven road trip maakt in het tegelijk landelijke en semi-industriële landschap rond Gent, op zoek naar de gebouwen die deze generatie er heeft neergezet. Het artikel biedt een duidelijk territoriaal perspectief dat gerust een plaatsje vooraan in het boek had mogen krijgen. Hetzelfde geldt voor de artikels die erop volgen trouwens, waarvan het leesgenot een welkome afwisseling vormt met de droge toon tot hiertoe. Daarbij wordt een tweede poging gemaakt tot het karakteriseren van hun gebouwd werk, deze keer ten opzichte van de Hollandse architectuurcultuur, en wel in de vorm van een briefwisseling tussen twee professoren uit de TU Delft ; en Dirk Somers herkent in het werk van Robbrecht & Daem, Kiecken en Van Hee een diepgaande lezing van Robert Venturi die de komende generaties van Vlaamse architecten in belangrijke mate zou beïnvloeden.

In het deel dat het meest als een rechtstreekse hommage aanvoelt illustreren tal van figuren uit het architecturale en artistieke milieu, oud-leerlingen of oud-medewerkers, aan de hand van een korte getuigenis de impact van deze generatie van 1974. Waarna het boek wordt afgerond met de tijdlijnen van het werk van de bestudeerde architecten.

Het sterk wetenschappelijk onderbouwde boek mag zich dan wel tot een ingewijd publiek richten, toch zorgt de diversiteit van de inhoud voor een geslaagd evenwicht tussen historisch naslagwerk en terugblikkend hommage , zonder hierbij aan samenhang te moeten inboeten. De inbreng van zowel historici, critici als wetenschappers, vormt een kostbare bijdrage tot de hedendaagse historiografie in Vlaanderen, waarvan de levendigheid en pertinentie eens te meer wordt aangetoond. We kunnen alleen maar hopen dat dergelijke werken een inspiratiebron kunnen betekenen voor de lopende herstructurering binnen de architecturale cultuur aan Franstalige zijde, om er een even kwalitatieve architecturale kritiek te promoten.

 

Autonomous Architecture in Flanders
Leuven University Press, Leuven, 2016
isbn 978-94-6270-067-3
www.upers.kuleuven.be

schrijf je in voor de nieuwsbrief