Een zoo van praktijken

gepubliceerd op 19.01.2015 | tekst Christophe Van Gerrewey

In ‘L’invention du quotidien’ schreef filosoof Michel de Certeau dat “de roman sinds de opkomst van de moderne wetenschap een zoo is van alledaagse praktijken”. Literatuur is een asiel voor alles wat concreet is, niet-systematisch en echt; door de lens van de fictie wordt contact met de ervaring van het gewone leven mogelijk. Het is niet verwonderlijk dat Klaske Havik deze zin citeert in ‘Urban Literacy. Reading and Writing Architecture’, gebaseerd op het proefschrift dat ze in 2012 verdedigde aan de TU Delft. Het boek is een anthologie van citaten, en van verbindingen tussen architectuur en literatuur – tussen ruimte en taal, ontwerpen en schrijven, steen en papier. ‘Urban Literacy’ heeft zelf iets weg van een zoo – of van een ark van Noach, waarin koppels tussen literatuur en architectuur gevormd worden, om hen te redden van virtualisering, uniformiteit en plaatsloosheid.

Urban Literacy_web

Het boek bestaat uit drie delen, zoals de prachtige en zinloze brug van Jo‑e Plecnik in Ljubljana, waarnaar Havik in de proloog verwijst: drie transacties tussen woorden, teksten en verhalen enerzijds, en gebouwen, plannen en ruimtes anderzijds. Het eerste deel heet ‘Description’ en gaat over wat de Grieken ‘ekfrasis’ noemden: een levendige, gedetailleerde beschrijving, in dit geval van vormen van architectuur. Havik past verschillende theorieën toe op het werk van Steven Holl, die van menselijke handelingen een zo uitgesproken mogelijke ervaring wil maken – dankzij architectuur, door een sensitief bewustzijn, en door nauwkeurige omschrijvingen. Het tweede deel gaat over ‘Transcription’ – over het besef dat teksten en ruimtes gebruikt worden en een maatschappelijke rol spelen,door mensen voor te schrijven wat ze moeten of mogen doen. De architect die hiermee op exemplarische wijze is omgegaan, is Bernard Tschumi. Tijdens een bezoek aan diens Parc de la Villette, ervoer Havik ‘een atmosfeer van mogelijkheden’, die meer nog dan door ruimtes en vormen, door verhalen en gebruiksaanwijzingen in het leven is geroepen. Het laatste deel, ‘Prescription’, gaat over de verbeelding, en over de manier waarop scenario’s, fantasieën en utopieën de architectuur in de toekomst projecteren, door heden en verleden strategisch te interpreteren. Koolhaas is hierin bekwaam; hij monteert, aldus Havik, ‘historische referenties en toekomstige beelden om gelijktijdigheid te simuleren’. Het boek eindigt met een epiloog waarin beschreven wordt hoe deze methodes in onderwijs, onderzoek en ontwerp kunnen ingezet worden – en reeds ingezet zijn, in het werk van Haviks studenten.

‘Urban Literacy’ mist kritische gerichtheid: het boek is zo gastvrij, en Havik zo genereus, dat de meest uiteenlopende en contradictorische stemmen naast elkaar staan. Aan de ene kant dreigt het idee van de uitzonderlijke noodzaak van een literaire architectuurbenadering daardoor verloren te gaan; aan de andere kant wordt dit boek een veelkleurige aanzet om een leven lang boeken, steden en gebouwen te ‘lezen’.

 

Urban Literacy. Reading and Writing Architecture
Klaske Havik
nai010 publishers, Rotterdam, 2014
isbn 978-94-6208-121-5 
www.naibooksellers.nl

schrijf je in voor de nieuwsbrief