De grote museale werf Kanal brut, tussen ruimtelijke toe-eigening en curatorendiscours

gepubliceerd op 22.05.2018 | tekst Anne-Laure Iger

2488dd7c-cbd0-4533-88d1-7f8ec2bbb387Na de ontmanteling van de emblematische Citroën-autofabriek, de beslissing van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om er een culturele ontmoetingsplaats te stichten en de daaruit voortkomende internationale architectuurwedstrijd wordt de vakantie van de garage afgesloten met de lancering van Kanal brut, een bezettingsprogramma dat nog vóór de aanvang van de werken loopt.

5 mei 2018. Buiten, langs het water, kuieren sommigen rond. Anderen nippen aan een glas spritz of limonade. Aan de Akenkaai zie je hoe de massa toestroomt in de grote hal. Binnen, op lichtpanelen, flikkert er “open”. Een pastelkleurige caravan verwelkomt de bezoekers, kinderen lopen heen en weer, er speelt een Mexicaanse fanfare. Op de eerste dag van zijn opening voor het publiek is Kanal brut erin geslaagd een mix te bieden van het meest verleidelijke én het meest conventionele op het vlak van transitiearchitectuur, culturele toe-eigening van een industriële ruimte en herovering van stedelijke woestenij [1]. In de showroom of onder de grote glazen luifels weet je nauwelijks waar eerst kijken. Het plannetje dat je bij de ingang kreeg, maande aan om “verloren te lopen”, en dus begrijp je al snel dat ‘vrolijke chaos’ de leuze van deze bezetting wordt. De oorspronkelijke ruimtes zien er in hun compleet gestripte vorm wijds en mooi uit. De kleuren, het knutselwerk en de blijheid van de huidige bezetting springen in het oog. Dankzij een paar wanden, enkele meters zilverkleurige gordijnstof en wat ‘recup’-meubilair werd in een handomdraai vormgegeven aan een museum van moderne kunst, een architectuurcentrum en zelfs een levende kunst-scene. En het geheel wordt al snel fier gerapporteerd op de sociale media.

Maar dan rijst de vraag naar de efficiëntie van de beschikbare ruimtes en de museale ambities: volstaat het om een autofabriek leeg te maken, er een Calder of Duchamp op te hangen en ze droogweg te bestempelen als “vooraanstaande culturele autoriteit” om er een echt belangrijk kunstencentrum van te maken? Gezien het succes van de openingsdagen, bedenken we dat de essentie van het museum vandaag ver weg ligt van de white cubes, en dat die misschien wel valt samen te vatten in een dergelijk aanbod. We merken op dat dit model de gangbare formats op het gebied van trajecten, classificatie en narratieve lijn duchtig afstoft. En dus vragen we ons af of het wel noodzakelijk is om een stap verder te gaan in de ontwikkeling van een ruimtelijke toe-eigening of een discours van de curatoren.

Als we het statuut en het bestaan in wording van de hedendaagse museale ruimte wat aandachtiger bestuderen, valt het nochtans op dat helderheid, maturiteit en pertinentie doorheen de tentoonstelling niet meteen van de partij zijn. Alleen de elementen die het evenement vormgeven, blijven hangen. De werken drijven, net als eilanden. Ze beantwoorden niet aan een ware ambitie vanwege de curatoren. Wel in tegendeel, ze lijken voort te komen uit een reeks technische keuzes, opgelegd door precaire bewaringsvoorwaarden, veiligheidskwesties of wensen van opzichtigheid. Bovendien legt men fel de nadruk op de experimentele aard van de bezetting, én op de door de “rijkdom van de collecties van het Centre Pompidou”[2] aangereikte toegevoegde waarde. Dat suggereert dat er niet méér moet gebeuren om deze plek te laten stralen. Alleen, wie de oude Citroëngarage al te zeer gaat beschouwen als een hip stedelijk laboratorium of een uitbreiding van de kunstverzameling van Beaubourg dreigt te vergeten dat de site een instituut in wording is. De eigenheid van zulk ’n plaats kan je niet zomaar afleiden uit haar patrimoniale rijkdom, de diversiteit van haar evenementen of enkele prestigieuze beloften van leenstukken. Laten we dus hopen dat de toekomstige expo’s minder zullen steunen op het “brute” karakter van de magazijnen of op de faam van bepaalde kunstwerken, en dat ze het publiek zullen trakteren op een scherpere blik op kunst en architectuur. Immers, alleen op die manier kunnen ze beantwoorden aan de ambities die Brussel voor deze plek koestert.


[1]Antoine Calvino, « Les friches, vernis sur la rouille » in Le Monde Diplomatique, april 2018, nummer 769, p. 27

[2]Citaat uit het persdossier van Kanal – Centre Pompidou

schrijf je in voor de nieuwsbrief