Bouwproducten uit het Mad Men-tijdperk

gepubliceerd op 12.09.2016 | tekst Lionel Devlieger

WEB_naoorlogse bouwmaterialen

Cellulit, Heraklith, Menuiserite, Coverit, Styropor, Rollisol,… Het zijn allemaal namen van bouwproducten die klinken als de leden van een uitdijende familie. Sommige ervan zie je nog geregeld, andere zijn als verre ooms en tantes ­– dood en begraven, niet langer beschikbaar op de markt. Het boek ‘Naoorlogse bouwmaterialen in woningen in Brussel 1945-1975′ en de bijbehorende website bieden een welkom overzicht – een soort stamboom – van drie decennia commerciële en technologische vindingrijkheid in de wereld van de Belgische bouwmaterialen. Hoewel de titel van het boek alleen Brussel vermeldt (dat heeft met de financier te maken), is de opgenomen informatie wel degelijk relevant voor heel België. De titel heeft het ook over ‘bouwmaterialen in woningen’, maar in wezen zijn veel producten ook van betekenis voor niet-residentiële toepassingen.

Het gaat hier uitdrukkelijk om industriële bouwproducten, ‘systemen’, die zich opwierpen als moderne alternatieven voor ambachtelijke producten. Geen massief hout, bakstenen, dakpannen of smeedijzerwerk dus, maar prefab-systemen, isolatiepanelen, geëxtrudeerde raamprofielen. Kortom, alles wat zware mechanisering vereist bij de productie, alsook belangrijke investeringen en een goed geoliede marketingmachine. De hoofdrolspelers zijn bedrijven als Eternit, Glaverbel (ooit nog Glaver and Univerbel), Dow, Echo, Chamebel enzovoort.

Veel van de uitvindingen die aan de grondslag liggen van de betrokken producten dateren van vóór de beschouwde periode – Ytong, een lichtgewicht beton dankzij een toeslagstof die gasbelletjes veroorzaakt, werd in de vroege jaren 1920 uitgevonden door een Zweedse architect – maar toch is de gekozen tijdspanne relevant. De zogenoemde ‘Trente Glorieuses’ kennen een ongeziene ontwikkeling van de bouwactiviteit in België. Het is een periode waarin de bouwproductenindustrie boomt en waarin een groot deel van de huidige bouwomgeving ontstaat. In het Brussels Gewest worden in de jaren 1960 jaarlijks 7.000 wooneenheden bijgebouwd.

Het boek wil in de eerste plaats nuttig zijn voor de steeds groter wordende groep ontwerpers die werken aan de aanpassing van het naoorlogse patrimonium dat nu aan herziening toe is. In die zin is het kenschetsend voor het ‘duurzame’ postmodernisme. In de jaren 1960 had je voor een verouderd gebouw twee mogelijkheden: ofwel werd het erkend als monument, en dan diende het gerestaureerd te worden, ofwel niet, en dan was het klaar om gesloopt te worden. Uit duurzaamheidsoverwegingen wordt nu toenemend geopteerd voor behoud en verbetering (‘retrofit’) van anonieme structuren. Een doordachte ‘retrofit’ – voor het verbeteren van de thermische prestaties van een woning bijvoorbeeld – is alleen mogelijk mits een goede kennis van zaken. Vanuit die invalshoek ontstond het project.

Wie door het boek bladert of op de site surft, krijgt evenwel meer dan alleen feitelijke informatie over nieuwe bouwmaterialen uit grootvaders tijd. De aangereikte taxonomie van firma’s en productnamen, hier gerangschikt in acht grote families die de hoofdstukken uitmaken, biedt ook een stuk culturele en sociale geschiedenis waarvan het belang dikwijls onderschat wordt. De sector bood en biedt werk in België aan duizenden mensen, bepaalt nog steeds het uitzicht en de ervaring van de bouwomgeving, en onderhoudt een complexe verhouding met het architectuurgebeuren (denk aan de vele productadvertenties in architectuurtijdschriften).

‘Naoorlogse bouwmaterialen’ is geen cultuurkritische studie, maar heeft wel het potentieel om als fundering te dienen voor verder onderzoekswerk. Eternit is, zoals vermeld, een hoofdrolspeler in dit verhaal, maar over de sociale en milieutechnische gevolgen van de asbestvezels die het, net als andere bedrijven, in zijn producten verwerkte tot eind jaren 1990 is het laatste woord nog niet gezegd. De kracht van dit boek ligt, naast de zorgvuldige feitenverzameling, in het rijke en inspirerende illustratiemateriaal. Stephanie Van de Voorde en haar coauteurs werkten in grote mate met architectuurtijdschriften en productcatalogi als bronnenmateriaal. Daaruit selecteerden ze een aantal schitterende advertenties die haast heimwee oproepen naar een tijd waarin architecten, industriëlen en adverteerders samen, met gedeelde creativiteit, de moderniteit celebreerden.

Het boek werd met publiek geld gefinancierd en is in pdf-vorm gratis te downloaden. De website volgt de structuur van het boek, maar biedt ook een zoekfunctie, een drietalig lexicon en een ruim archief met de advertentiebeelden die het boek niet haalden: www.naoorlogsebouwmaterialen.be.

 

Naoorlogse bouwmaterialen in woningen in Brussel 1945-1975
Stephanie Van de Voorde e.a.
www.naoorlogsebouwmaterialen.be

schrijf je in voor de nieuwsbrief