Belangrijke correcties op een oud succesverhaal

gepubliceerd op 20.06.2016 | tekst Pieter T'Jonck

WEB_Cover architectuurboek

Het jaarboek ‘Architectuur in Nederland 2015/2016’ werd onlangs voorgesteld in Museum Fort Vechten. Dat ontwerp siert ook de cover van het boek. De landmark van Monadnock in Nieuw Bergen, Limburg staat op de achterflap. Het tekent de richting die het redactieteam Tom Avermaete, Kirsten Hannema (die Linda Vlassenrood dit jaar verving), Hans van der Heijden en Edwin Oostmeijer tijdens hun vierjarig mandaat als samenstellers uitzetten. We zullen ze nog missen; dit boek bevat inspirerende projecten maar ook enkele pertinente beschouwingen.

Het jaarboek volgt nog steeds de heldere, ijzersterke formule van de eerste editie in 1986: 30 projecten, aangeduid door een jury, geïllustreerd met een reeks foto’s en plannen en een korte toelichtingstekst, geven een beeld van ‘het beste’ van de Nederlandse architectuur van het afgelopen jaar. 1986 was het begin van een tijdperk waarin Nederland internationaal uitzonderlijk hoog scoorde op de mondiale architecturale schaal. ‘Superdutch’ was de naam voor spectaculaire, maar vooral conceptueel slim onderbouwde architectuur die in de loop der jaren alleen maar spectaculairder werd. Namen als OMA, MVRDV, Neutelings-Riedijk of Mecanoo –het zijn er maar enkele uit een veel langere lijst- gingen de wereld rond.

Maar dan kwam de crisis. Die sloeg in Nederland ongemeen hard toe door allerlei schandalen in woningbouwcorporaties, een terugtredend beleid en een hardhandige inkrimping van de middelen voor een ‘architectuurcultuur’. In die context trad het team Avermate/Vlassenrood-Hannema/van der Heijden/Oostmeijer aan voor de editie van het jaarboek 2012-2013. Hun voorliefde voor een ‘ander’ soort projecten viel meteen op. Het was de periode dat werk van het Belgische AWG bijvoorbeeld plots wel in de annalen opdook als meer dan een voetnoot. Deze redactie voelde zich er bovendien toe geroepen om, meer dan voorheen het geval was, haar eigen keuzes en inzichten toe te lichten vanuit een brede visie op wat architectuur zou moeten zijn. Dat wrong met het strakke format. Zoals ze in de inleiding op deze editie uiteenzet was haar ruimte daartoe beperkt: ‘Als wij geen toekomstvisioenen zouden agenderen, dan konden wij op zijn minst proberen om als fellow travellers tendensen op te sporen, vast te leggen en van een eerste duiding te voorzien’.

Van die taak hebben ze zich in deze editie met verve gekweten. Op verschillende manieren. Een eerste essay van Tom Avermaete , ‘De architectuur van de ‘commons’’ geeft krachtig aan waar het vandaag om zou kunnen gaan. Architecten varen op andere kompassen dan voorheen. Ze laten zich meer inspireren door het territorium zelf, en verhouden zich daar niet toe volgens eenvoudige binaire schema’s als assimilatie versus confrontatie. Het gaat om dingen als atmosfeer, materie, ruimte die opnieuw bevraagd worden vanuit een historische reflex. Het voorbeeld hier is het inderdaad wonderlijke Museum Fort Vechten van Studio Anne Holtrop. Dat sluit meteen aan bij een andere benadering van de tijd: architecten verhouden zich tot de geschiedenis van de discipline. Zoals de ‘landmark’ van Monadnock in Nieuw Bergen aantoont leidt dat tot ontwerpen die functioneel weinig specifiek zijn. Het gebouw refereert aan een verleden, versterkt een versnipperde hedendaagse ruimte, en initieert zo ook een toekomstvisie. En verder is het ook een café, maar dat lijkt bijna een voetnoot in het project.

Het belangrijkste punt dat Avermaete maakt is echter dat ook het handelen van de architect aan het verschuiven is. Hij is niet langer de heldhaftige ontwerper, maar deel van een breed proces van co-creatie, waar ook andere partijen, en met name de gebruikers, een grote rol in spelen. Het voorbeeld hier is de Kleiburgflat in de Bijlmer, die door een slimme renovatie plots een aantrekkelijkheid kreeg die tevoren ondenkbaar leek. Zo komt Avermaete tot de idee van ‘commons’: een vorm van architectuur bedrijven die met haar eigen middelen zoekt naar een duurzame verknoping met de context waarin ze verschijnt.     

Het essay ‘Uit de schaduw’ van Kirsten Hannema sluit daar op een inspirerende manier bij aan. Ze signaleert hoe ‘jonge’ architecten steeds vaker moeten terugvallen op haast clandestiene publicaties om hun gedachten wereldkundig te maken. Ze signaleert echter ook een onmiskenbare trend in die publicaties: ze focussen niet langer op het uitzonderlijke, maar op wat doordeweeks, simpel en alom bekend is om vervolgens de potenties daarvan te tonen. Daarbij grijpen deze jonge ontwerpers vaak terug naar een ‘schaduwcanon’ van de architectuur, naar architecten die nooit volop in de schijnwerpers stonden maar wel inventieve en waardevolle bijdragen leverden aan de publieke ruimte. Ze grijpen ook terug naar ‘vergeten’ of lichtjes geminachte materialen als baksteen  en vragen aandacht voor ‘lastige’ opgaven als de kopgevel. Terwijl ze enkele van die publicaties bespreekt komt Hannema zo op het spoor van de ‘altruïstische’ architect, de tegenhanger van de ‘starchitect’. Die heeft ‘het vermogen om een langlopende culturele logica bloot te leggen, die het pure individualisme overstijgt, om een groter, meer fundamenteel menselijk verhaal te vertellen’. Het is een inspirerende tekst, die een opgave voor de toekomst inhoudt. Wie door Nederland reist merkt immers dat enkele decennia huzarenstukjes niet tot een homogeen en hecht stedelijk of landelijk weefsel leidden, dat de publieke ruimte er soms armtieriger bij ligt, een dat een mainstream –en vaak banale- architectuurproductie vaak zo’n impact heeft dat typische kwaliteiten van oude Nederlandse steden er steeds meer onder lijden.

De twee andere teksten in het boek focussen op concrete projecten die illustreren wat Avermaete en Hannema al signaleren. Edwin Oostmeijer gaat in op de betekenis van het Kleiburgproject in de Amsterdamse Bijlmer. Het is de laatste honingraatflat in de K-buurt, zo genoemd naar de vroegere Kleiburghoeve op deze locatie, nadat alle andere flats voor de hamer gingen. 500 flats in een gebouw met een lengte van 400 meter en 11 bouwlagen. Blijkt nu dat het model toch kan werken, door terug te gaan naar het oorspronkelijke ontwerp in plaats van het op te leuken. Hans van der Heijden gaat dan weer in gesprek met Koen van Velsen, een ontwerper die altijd net een beetje buiten de canon viel. Zijn megaproject voor het station van Breda lijkt echter bijna een samenvatting van alle inzichten die Avermaete en Hannema theoretisch aankaartten  in hun essays.

Maar verder is dit natuurlijk ook gewoon een erg leuk boek om door te bladeren. En blijken een paar oude meesters als OMA of Mecanoo toch nog altijd actief –OMA zelfs met een wonderlijk project voor het Timmerhuis in Amsterdam. Een ‘vadermoord’ kan je dit jaarboek dan ook niet noemen, wel een belangrijke correctie op een verhaal dat zo’n 30 jaar geleden begon. 

 

Jaarboek ‘Architectuur in Nederland 2015/2016′
nai010, Rotterdam, 2016
isbn 978-94-6208-278-6
www.naibooksellers.nl

schrijf je in voor de nieuwsbrief