Too Big to Fail?

SOM + ASSAR
gepubliceerd op 28.03.2018 | tekst Sven Sterken publieke ruimte
Luchtbeeld van het nieuwe NAVO-gebouw in Brussel

Luchtbeeld van het nieuwe NAVO-gebouw in Brussel. © SOM – ASSAR

In zijn essay Bigness1 stelt Rem Koolhaas dat gebouwen vanaf een bepaalde grootte lijken te ontsnappen aan de regels van de architectuur. Oftewel: wat is het maximum dat architectuur aankan? Kan een gebouw zoals de nieuwe NAVO-hoofdzetel in Evere nog met de gekende normen en waarden worden beoordeeld?

Het nieuwe hoofdkwartier van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) in Evere, dat binnenkort in gebruik genomen wordt, is met zijn 250.000m2 vloeroppervlakte niet alleen het grootste (kantoor)gebouw in België – met een eigen postcode! – ook de verwachtingen zijn extreem hooggespannen.

De vraag naar een nieuw hoofdkwartier dateert al van de NAVO-top in Washington in 1999, waar de alliantie na tien jaar identiteitscrisis (de val van het IJzeren Gordijn had de organisatie in feite werkloos gemaakt) kon uitpakken met een nieuwe missie én met een aantal nieuwe leden uit het voormalige Oostblok. Welk cadeau kon deze overwinning op de geschiedenis beter uitdrukken dan een internationale architectuurwedstrijd voor een nieuwe, prestigieuze hoofdzetel? Maar hoe ontwerp je een gebouw dat uitbreidbaar is zonder het werk van 4.000 stafleden te onderbreken, dat strenger beveiligd moet kunnen worden dan het Witte Huis, maar tegelijkertijd dagelijks 500 bezoekers van over de hele wereld moet kunnen ontvangen, en dat het gezicht moet worden van een van de machtigste supranationale organisaties op deze planeet in het niemandsland tussen stad en luchthaven?

Het concept van transparantie is door het hele gebouw doorgetrokken

Het concept van transparantie is door het hele gebouw doorgetrokken. © NAVO

Open en transparant?

Op het eerste gezicht lijkt het winnende ontwerp – een samenwerking van de Londense afdeling van SOM en het Belgische ASSAR – de stelling dat architectuur niet opgewassen zou zijn tegen zoveel ambitie en verwachting, tegen te spreken. Volgens Koolhaas kan een gebouw van dergelijke omvang niet meer door één architecturale geste worden beheerst, waardoor ook de traditionele regels van schaal, compositie, proportie en detail niet meer van tel zijn. SOM en ASSAR lieten zich daardoor niet afschrikken. In de beste beaux-artstraditie aligneerden ze de drie voornaamste onderdelen van het programma op één centrale as midden op het terrein: een magazijn, een sport- en ontspanningscentrum voor het personeel, en het hoofdgebouw. De hele vormelijke en ruimtelijke organisatie van dat laatste berust op één beeld, namelijk dat van in elkaar gevouwen handen. De acht vingers (uitbreidbaar tot tien) huisvesten daarbij de kantoren van de nationale delegaties, als expressie van samenwerking, bescherming en eenheid. Tussen de vingers bevinden zich kleinere volumes met vergaderzalen, persruimtes, kantines en een bibliotheek. Al die onderdelen geven uit op een immens atrium (of agora in NAVO-speak) van 250 m lang en 32 m hoog, waar de staf en alle bezoekers langs moeten op weg van en naar hun bureau, vergaderzaal of kantine. Paradoxaal genoeg is die haast dwangmatige ingreep bedoeld om informele ontmoetingen en overleg te stimuleren.

Nu was de agora bij de Grieken geen doorgangsruimte maar een plek. Het overleg vond ook niet zozeer plaats op het plein zelf, maar in de beschutting van de zuilengalerijen die het plein afboordden. Van dergelijke tussenruimtes is hier niet echt sprake; NAVO 2.0 wil immers een open organisatie zijn. Vandaar ook die andere dominante metafoor, namelijk die van de transparantie: alles moet zichtbaar zijn, tot de liften toe. Maar hoe krachtig is zo’n metafoor nog als elke middelgrote onderneming er zijn pr-praatje aan ophangt? En staat openheid niet haaks op de noodzakelijke geheimhouding binnen een militaire alliantie? Hoe zinvol is het ten slotte om die beeldspraak te vertalen in glas voor een gebouw dat een gedroomd doelwit vormt voor terroristische aanslagen?

Hoofdingang van de nieuwe hoofdzetel van de NAVO. © SOM – ASSAR

Spreidstanden

Zoals Koolhaas stelt, worden interieur en gebouwschil op deze schaal vaak twee aparte projecten: het ene gericht op het in bedwang houden van de inwendige programmatorische instabiliteit, het andere op het creëren van een schijnbaar rustgevend beeld in de publieke domein. Dat is ook hier het geval: de enorme rijkdom en intensiteit aan activiteit binnen het NAVO-gebouw (dat naast kantoren en vergaderzalen ook een aantal winkels en zelfs een Starbucks- liaal omvat) komt niet tot uitdrukking in de architecturale expressie van het gebouw. Naast de gebogen dakvorm wordt die vooral gedomineerd door het ritme van een eindeloos aantal kantoorvensters; de populaire associatie tussen internationale democratie en bureaucratie wordt daarmee bevestigd.

De grote batterij hightech vergaderzalen, waar zo’n 5.000 meetings per jaar zullen plaatsvinden, en die in feite het hart van dit gebouw (en ook de NAVO als organisatie) vormen, zijn weggestopt in een compact volume tussen twee vingers. Ze verschillen weinig van een doorsneecongrescentrum en ademen een marktconforme, correct-generieke sfeer uit die contrasteert met de beeldwaarde van de architectuur aan de buitenkant. Deze tegenstelling illustreert hoe dit gebouw voortdurend op twee benen lijkt te hinken: het pretendeert een glazen huis te zijn maar is in werkelijkheid een versterkte bunker; het moet een architecturaal icoon worden maar dan wel buiten de stad; het wil een monument zijn maar dan zonder pottenkijkers. Dat alles reflecteert ook de intrinsieke ambiguïteit van de NAVO als organisatie: als militaire alliantie is het gebaat bij onzichtbaarheid; als politiek platform heeft het een gezicht nodig in het publieke domein. Hoe overbrug je dergelijke spreidstanden in architectuur? Of zijn zulke binaire denkschema’s te simpel voor deze stratosfeer van de internationale politiek, die zijn eigen realiteit genereert en in stand houdt? Heeft Koolhaas dan toch gelijk en overstijgen deze programma’s de architectuur?

Een blik op de astronomische kostprijs van het gebouw (1,1 miljard euro in totaal) is illustratief in dat opzicht: het bedrag aan erelonen voor de post ‘architectuur, ontwerp en kwaliteitsmanagement’ is haast kleiner dan de uitgaven voor ICT en elektronica samen. Dat is niet uitzonderlijk bij zulke complexe gebouwen, en wijst op de paradox waarin de architect hier terechtkomt: hij of zij is dan wel regisseur van de materiële vorm, de inhoud ervan wordt bepaald door een leger van experts, ingenieurs en technici. Het nieuwe NATO-gebouw illustreert zo overduidelijk dat in een context van bigness, de ontwerper niet langer een modernistische held is die via architectuur zijn visie op de wereld doordrukt, maar een storyteller die met zijn gebouw een dienstbaar verhaal aflevert. De ontwerpers hebben dat hier perfect aangevoeld: met de metafoor van de ineengestrengelde handen hebben ze deze ultraperformante en hyperbeveiligde vergadermachine architecturale geloofwaardigheid gegeven en de NAVO een perfecte pitch aangeleverd voor haar toekomstige pr-campagnes.

Gepubliceerd in S, M, L, XL in 1995. 

download pdf
SOM + ASSAR
Brussel | 2018
A+269
pagina's 8-9-10-11-12

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

    Luifel

    Er breidt zich langzaam maar zeker een witte pixelwolk uit over het land. Een ludieke studie van de openbare ruimte, BXL 100, (> A+213) resulteert sinds 2011 in een aantal ingrepen in de openbare ruimte. Ze duiken op in het Brusselse Sint-Gillis en worden ontwikkeld in het Gentse Ledeberg. In Mechelen siert een luifel sinds kort het nieuw aangelegde Pasbrugplein.

    lees meer

    Belvédère des Coteaux de la Citadelle de Liège

    En porte-à-faux, la plate-forme triangulaire de 60 m² culmine sur le versant sud des Coteaux de la Citadelle. Le belvédère, imaginé par le bureau d’études paysage du Service de l’Aménagement des espaces publics de la Ville de Liège, a été conçu et réalisé par le Bureau d’études Greisch. Il fait partie du réaménagement complet des [...]

    lees meer

    Porte-à-faux

    Quatre ouvrages architecturaux récents
ou en cours de réalisation montrent des résolutions particulières à la réalisation de porte-à-faux, pour des programmes et avec des matériaux différents. Cet auvent carré en béton, réalisé dans le cadre d’un contrat de quartier pour un jardin récréatif à Molenbeek-Saint-Jean, se compose d’une grille octogonale de poutres. Les poutres aux côtés ont un très grand moment sur appui. Ces moments coïncident avec le moment d’une poutre en porte-à-faux de 9 m soumise à la même charge. Les poutres centrales de l’auvent ont quant à elles un grand moment en travée, comparable à celui d’une poutre avec une portée de 18 mètres.

    lees meer

schrijf je in voor de nieuwsbrief