Renovatie Melckmansblok

Ozon Architecture
gepubliceerd op 15.08.2011 collectief wonen
© Georges De Kinder
© Georges De Kinder
© Georges De Kinder

Met de renovatie van het Melckmansblok heeft het Brusselse studiebureau Ozon architecture onlangs een gebouw in ere hersteld dat een bijzondere plaats inneemt in de theorie- en praktijkgeschiedenis van de sociale woningbouw in het Brussel van het interbellum. Het complex, opgetrokken in een tijd waarin de theorie- en van de CIAM over de autonomie van het object vorm kregen, stelt vragen bij de verhouding tussen het architecturale object en het stadsweefsel.
Het is een laat en uniek element in La Roue, het eerste tuinwijkexperiment (vanaf 1921) van de in 1919 opgerichte Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken. Met zijn vijf verdiepingen in baksteen met cementbepleistering is dit de enige hoogbouw in de tuinwijk. De vorm is beïnvloed door ‘le fer à  cheval’ dat Jean-Jules Eggericx twee jaar eerder in Logis-Floréal had opgetrok­ken, maar terwijl dit laatste midden in de wijk ligt en een uiting is van het bewuste verlangen om een centrum met een eigen civiele identiteit te creëren, is het Melckmansblok veeleer een ‘toegangspoort’ tot de wijk, een verbinding met de stad. De keuze voor hoogbouw werd wellicht niet zozeer ingegeven door overwegingen van theoretische of symbolische aard, als wel door de ligging – de ‘stedelijke’ context, aan de steenweg – en de bekommernis om de oppervlakte te doen renderen. Zo sluit het gebouw tot in zijn concept meer aan bij de meer ‘stedelijk’ georiënteerde experimenten van sociale woningbouw van het begin van de eeuw dan bij die van de tuinwijken.
Het driehoekige perceel op de hoek van de Bergensesteenweg en de Mensenrechtenlaan waarop het blok werd opgetrokken, bood de architect, Fernand Brunfaut, kansen voor een ongewone typologie. Het driehoekige pleintje tussen de L-vormige vleugels van het gebouw geeft toegang tot de woningen en ziet uit op de tuinwijk aan de overzijde van de laan. Het blok is duidelijk autoreferentieel – het woord ‘blok’ verwijst naar het idee van afzonderlijk object – en symmetrisch, maar tegelijk worstelt de architect met de beperkingen die het stadsweefsel – de vorm van het perceel – hem oplegt, want dit dwingt hem tot asymmetrie: één vleugel loopt als een soort scherm parallel aan de steenweg, de andere staat loodrecht op die as en volgt de scheidingslijn met de belendende percelen.
Het gebouw kan ‘gelezen’ worden als een opengeslagen boek, een barok spel met schermen en een veelvoud aan idiomen en verwijzingen. De omslag van het boek vinden we aan de straatzijde, in het verlengde van de andere woningen: een lange, sobere bakstenen gevel waarvan de horizontaliteit, die verwijst naar experimenten van de Amsterdamse school, wordt tegengesproken door de typisch Brusselse toevlucht tot verticaliteit.
Draai je om de hoek van de steenweg, dan zie je hoe de architect je het boek binnenloodst via de expressionistisch opengewerkte snede. De even monumentale als huiselijke uitwerking van het binnenplein verraadt de invloed van architecten als Emile Hellemans op Fernand Brunfaut. Het bakstenen lijstwerk is een van de art deco-elementen in de compositie. De extra brede daklijsten – en hun onderbreking door de verticale lijnen van de trappenhuizen – versterken het barokke aspect van het geheel, maar doen anderzijds denken aan Eggericx’ ‘fer à  cheval’ en onttrekken de dakhellingen aan het zicht, zodat het gebouw een modern voorkomen krijgt.
De rug van het boek ligt op de scheiding met de belendende percelen. Brunfaut heeft er niet meer van gemaakt dan wat hij is: een achtergevel. Het is tekenend dat de architecten van Ozon vooral aan dit deel veel aandacht hebben besteed. Omdat deze gevel geen erfgoedwaarde had, konden ze hier hedendaagse elementen inbrengen. Het evenwicht in de details (ramen, materialen, kleuren) die de sterkte uitmaakt van het hele gebouw, hebben ze proberen te behouden. De sterk beschadigde balkons hebben ze omgetoverd tot uitbreidingen van de woningen: het feit dat de achterzijde vrij veel zonlicht vangt, hebben ze benut om een ‘buffergevel’ met loggia’s en open balkons te creëren. Met hun benadering van deze gevel verwijzen ze bijna letterlijk naar grote naoorlogse complexen (zo is de polychromie ontleend aan Le Corbusier) en de hedendaagse herinterpretatie ervan (door Lacaton & Vassal bijvoorbeeld). Ze schuwen ook de bijdrage van het rationalisme niet – oriëntatie, spel met licht en uitzicht, … – en combineren dit met een meer hedendaagse aandacht voor multifunctionaliteit. Om meer verschillende woningen te creëren – onder meer duplex- en doorzonwoningen – werd hun aantal teruggebracht tot de helft, evenwel zonder structureel te raken aan de verbindende verticale elementen.
De ingreep van Christophe Gillis en Anne Ripet behoudt de waardigheid die de generatie architecten waarvan Fernand Brunfaut deel uitmaakte, in het hart droeg. Inspelend op de context van hun opdracht hebben de architecten terecht gekozen voor rigueur en soberheid. Ze hebben de typologische kenmerken van het gebouw benut om er een betekenislaag aan toe te voegen. Deze ‘modernisering’ is een stille maar duidelijke vingerwijzing: de sociale en politieke strijd die meer dan een eeuw geleden begon, is nog niet volledig gestreden.

download pdf
Ozon Architecture
Brussel | 2011
A+231
pagina's 40-42

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

    Porte-à-faux

    Quatre ouvrages architecturaux récents
ou en cours de réalisation montrent des résolutions particulières à la réalisation de porte-à-faux, pour des programmes et avec des matériaux différents. Cet auvent carré en béton, réalisé dans le cadre d’un contrat de quartier pour un jardin récréatif à Molenbeek-Saint-Jean, se compose d’une grille octogonale de poutres. Les poutres aux côtés ont un très grand moment sur appui. Ces moments coïncident avec le moment d’une poutre en porte-à-faux de 9 m soumise à la même charge. Les poutres centrales de l’auvent ont quant à elles un grand moment en travée, comparable à celui d’une poutre avec une portée de 18 mètres.

    lees meer

    Belvédère des Coteaux de la Citadelle de Liège

    En porte-à-faux, la plate-forme triangulaire de 60 m² culmine sur le versant sud des Coteaux de la Citadelle. Le belvédère, imaginé par le bureau d’études paysage du Service de l’Aménagement des espaces publics de la Ville de Liège, a été conçu et réalisé par le Bureau d’études Greisch. Il fait partie du réaménagement complet des [...]

    lees meer

    Luifel

    Er breidt zich langzaam maar zeker een witte pixelwolk uit over het land. Een ludieke studie van de openbare ruimte, BXL 100, (> A+213) resulteert sinds 2011 in een aantal ingrepen in de openbare ruimte. Ze duiken op in het Brusselse Sint-Gillis en worden ontwikkeld in het Gentse Ledeberg. In Mechelen siert een luifel sinds kort het nieuw aangelegde Pasbrugplein.

    lees meer
© Georges De Kinder
© Georges De Kinder
© Georges De Kinder

schrijf je in voor de nieuwsbrief