Museum Kazerne Dossin

awg architecten
gepubliceerd op 17.12.2012 | tekst Bart Verschaffel
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert

In november legde het team rond awg architecten de laatste hand aan het genocidemuseum in Mechelen. Voor veel omwonenden is zijn massieve voorkomen omstreden, onaangenaam, storend. Niet toevallig treffende omschrijvingen van bepaalde ‘ongemakkelijke’ aspecten van het Belgische oorlogsverleden.

Vanuit de Dossinkazerne in Mechelen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog 24.916 joden en 351 zigeuners gedeporteerd naar vernietigingskampen. De Vlaamse Gemeenschap schreef in 2007 een architectuurwedstrijd uit voor een nieuw museum, memoriaal en studiecentrum op die plaats. Zij zullen de deportaties en de genocide op de joden bestuderen en gedenken, en tentoonstellingen maken over de schendingen van de mensenrechten in het algemeen. Het nieuwe ‘Memoriaal, museum en documentatiecentrum over Holocaust en mensenrechten’ vervangt het oude ‘Joods Museum van Deportatie en Verzet’, dat gehuisvest was in de voorvleugel van de kazerne.
De beslissing om een museum te bouwen dat tegelijk een monument of gedenkgebouw moet zijn, is zeker ook ingegeven door het besef dat België en Vlaanderen het zichzelf na de oorlog inzake deportaties niet al te moeilijk gemaakt hebben. Slechts relatief recentelijk wordt systematisch onderzoek verricht naar de betrokkenheid en/of onverschilligheid van bevolking, politici en ordediensten. Het beeld dat daaruit naar voor komt is verre van fraai. Allicht daarom probeerde men in eerste instantie te ‘vergeten’, zoals in zovele Europese landen. Betrokkenen en overlevenden hebben, om na de oorlog een nieuw leven en een nieuwe wereld te kunnen opbouwen, (te) veel gezwegen. Sedert een vijftiental jaren, nu de laatste getuigen oud geworden zijn, wordt echter in brede kring de vraag gesteld hoe deze misdaden tegen de menselijkheid niet te vergeten, hoe gepast te gedenken, en hoe tijdig gevaar te zien in maatschappelijke ontwikkelingen die opnieuw tot onheil kunnen leiden.
De Dossinkazerne is in de jaren ’70 omgebouwd tot een luxeappartementencomplex en het binnenplein doet nu dienst als parkeergarage en tuin. Enkel de hoofdvleugel aan de straat is nog in overheidsbezit. De belangrijkste keuze van het awg-ontwerp is om dit gegeven, dat getuigt van het gemak waarmee het verleden van de plek weggewassen is, mee als uitgangspunt te nemen. Het ontwerp voorziet een groot nieuw museum tegenover de kazerne, en een stadsplein ertussenin. Van op het dakterras en de rondgang boven aan het museum kijkt men zo niet enkel naar het gebouw en tot op de binnenplaats waar de gedetineerden moesten verzamelen, maar wordt de bezoeker ook geconfronteerd met de bouwspeculatie die de kazerne ondertussen ‘gebanaliseerd’ heeft. Het museum zelf is een hoog gebouw in baksteen, een rechthoekig gesloten volume met open zalen op elke verdieping, met daaraan een puntvormige kop met grote hoge ramen, bijzalen en circulatie. Het gebouw staat opvallend, monumentaal, maar open in zijn omgeving: de grote ramen in de kopgevel geven inkijk en laten ‘s avonds het licht naar buiten stralen. De gevels aan de kant van het plein en de kazerne zijn echter blind en naar binnen gekeerd: alle ramen zijn dichtgemetseld. Rond het gebouw staat een muur, zodat rondom een soort voorhof ontstaat, die met glas is overdekt. Zo valt overdag in het gebouw, dat gelijkvloers op zuilen staat, overvloedig licht binnen, terwijl de kern toch donker blijft. ‘s Nachts wordt via het glasdak de voet van het gebouw belicht, wat op het plein de zwijgende massa van het gebouw doet voelen.
Er is, naar Vlaamse gewoonte, tegen het ‘lelijke’ ontwerp geprotesteerd. Men vond het gebouw te brutaal en te opvallend, en het paste niet in de buurt. De kritiek en alternatieve voorstellen hielden in dat het gebouw ‘aangenaam’ – dus neutraal – moet zijn, en geen betekenis mag opdringen. Men kan voor deze reactie begrip opbrengen. Elkeen is immers gesteld op zijn rust en leefcomfort, en niemand van de buurtbewoners heeft gevraagd dat die zwaar beladen historische gebeurtenissen zich precies in zijn of haar ‘backyard’ zouden afspelen. Maar het is echter zonder meer passend dat de Vlaamse Gemeenschap als geheel, in het licht van wat zich hier toen afspeelde en van het lange gemakzuchtige zwijgen, een publiek gebaar stelt. Uitgerekend hier, op deze symbolische plaats, precies omdat de angst en verschrikking er zo onwezenlijk reëel geweest zijn.
Geheel afgezien van wat er op het spel staat, is het zeer de vraag of het project het leven en wonen in de buurt écht moeilijker zal maken. Het voorgestelde ontwerp is immers in het geheel geen spectaculair, opdringerig of extreem gebouw. De zwarte bakstenen van het oorspronkelijke ontwerp werden zelfs vervangen door witte! Het gebouw is zeker monumentaal en – zij het enkel naar het plein toe – gesloten. Maar de robuuste indruk die het geeft is zeker niet ongepast: het volgt qua massa, vorm, materiaal en uitzicht de typologie van de 19e-eeuwse (semi-)industriële gebouwen die aan de rand van onze steden, ook in Mechelen, langs waterwegen staan. Het memoriaal is geen opvallende sculptuur die constant om aandacht schreeuwt: het is een gebouw dat gebruikt wordt, met zijn omgeving zal vergroeien en zoals alle architectuur grotendeels ‘achtergrond’ wordt. Het museum is geen transparant of uitnodigend gebouw, maar het is wel ernstig en sterk. Kwaliteitsvolle steden zijn niet gemaakt van gemakkelijke en aangename gebouwen, maar van sterke gebouwen. Het is met dit museum niet anders dan met de kerken, justitiepaleizen, scholen, rusthuizen en begraafplaatsen: dit zijn gebouwen die er door hun uitzicht, schaal en gebruik aan herinneren dat kleine en private levens gedurig raken aan grote zaken en aan publiek leven, op een manier waarover men niet zomaar zelf en willekeurig beslist. Dat is misschien niet altijd ‘aangenaam’, en in dit geval zeker niet. Maar het is wel zinvol en belangrijk van een stad een publieke ruimte te maken, die niet enkel gebaseerd is op banken in een park en speelplaatsen, maar die in de eerste plaats herinnert aan wat private levens doorkruist, en aan wat een gemeenschap niet mag vergeten. In hun conceptnota tekenen de architecten op: “Het gebouw moet als icoon door zijn verschijningsvorm het pittoreske van de stad, van de wijk, van de omgeving storen. Het moet een gebouw worden dat de wijk, de buurt, zelfs de stad overstijgt, om de eigen betekenis te verdiepen en te accentueren. Het project moet aan de plek toevoegen wat er in de kazerne verloren is gegaan door de herbestemming ervan.”

download pdf
awg architecten
Mechelen | 2012
A+222
pagina's 80-85

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

    Luifel

    Er breidt zich langzaam maar zeker een witte pixelwolk uit over het land. Een ludieke studie van de openbare ruimte, BXL 100, (> A+213) resulteert sinds 2011 in een aantal ingrepen in de openbare ruimte. Ze duiken op in het Brusselse Sint-Gillis en worden ontwikkeld in het Gentse Ledeberg. In Mechelen siert een luifel sinds kort het nieuw aangelegde Pasbrugplein.

    lees meer

    Belvédère des Coteaux de la Citadelle de Liège

    En porte-à-faux, la plate-forme triangulaire de 60 m² culmine sur le versant sud des Coteaux de la Citadelle. Le belvédère, imaginé par le bureau d’études paysage du Service de l’Aménagement des espaces publics de la Ville de Liège, a été conçu et réalisé par le Bureau d’études Greisch. Il fait partie du réaménagement complet des [...]

    lees meer

    Porte-à-faux

    Quatre ouvrages architecturaux récents
ou en cours de réalisation montrent des résolutions particulières à la réalisation de porte-à-faux, pour des programmes et avec des matériaux différents. Cet auvent carré en béton, réalisé dans le cadre d’un contrat de quartier pour un jardin récréatif à Molenbeek-Saint-Jean, se compose d’une grille octogonale de poutres. Les poutres aux côtés ont un très grand moment sur appui. Ces moments coïncident avec le moment d’une poutre en porte-à-faux de 9 m soumise à la même charge. Les poutres centrales de l’auvent ont quant à elles un grand moment en travée, comparable à celui d’une poutre avec une portée de 18 mètres.

    lees meer
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert
© Stijn Bollaert

schrijf je in voor de nieuwsbrief