Campus AZ Groeninge

Baumschlager Eberle + Osar
gepubliceerd op 17.12.2012 | tekst Christophe Van Gerrewey
© Werner Huthmacher
© Werner Huthmacher
© Werner Huthmacher

Buiten de stadsmuren van Kortrijk bouwt het Oostenrijkse Baumschlager Eberle samen met Osar aan de campus AZ Groeninge. Dit ziekenhuis legt alleen beslag op wat nodig is, en gaat zo een oprechte relatie aan met de patiënt.

Het is een reflex om de verdwijning van allerlei programma’s uit de binnenstad – zoals begraafplaatsen, sportterreinen of universiteiten – te betreuren. Sommige functies hebben echter baat bij veel ruimte, rust en een gebrek aan congestie. In ‘Utopia’ uit 1516 schreef Thomas More dat “ziekenhuizen even buiten de stadsmuur gelegen moeten zijn, zo ruim dat het zelf haast kleine steden lijken.” Buiten de stad is er meer plaats om de zieken comfortabel te huisvesten en te verzorgen. Bovendien, zo redeneerde More, worden de gezonde stedelingen er niet besmet. Omgekeerd – vanuit een hedendaags perspectief – krijgt het ziekenhuis in het centrum af te rekenen met het drukke, chaotische en oncontroleerbare stadsleven.
De afdelingen van het ziekenhuis in Kortrijk worden langzaam maar zeker gegroepeerd in het AZ Groeninge, een campus gelegen langs de Kennedylaan, in een voorheen nagenoeg onbebouwde zone ten westen van ‘het ei’ (de versmelting van een aantal klaverbladen), en op nauwelijks een kilometer ten zuiden van de E17. Het complex van 144.000 m2 wordt in verschillende fasen gerealiseerd naar een ontwerp van het Oostenrijkse bureau Baumschlager Eberle. In april 2010 werd het eerste deel afgewerkt; in juni 2012 begon de tweede fase – drie keer zo groot – die ook de ombouw van twee hoeves op de site (tot therapeutisch centrum of auditorium) en de oprichting van een parkeergebouw omvat. Uiteindelijk zullen er, in 2017, iets meer dan duizend bedden beschikbaar zijn. Dat is opvallend weinig: elk bed (en elke patiënt) krijgt in zekere zin 144 m2 toebedeeld, maar die verhouding is intentioneel. Een ziekenhuis is zelden gebaat bij spaarzaam ruimtegebruik, en recentelijk is de wetgeving ook vanuit dat besef aangepast. De kamers in dit hospitaal zijn royaal, ook omdat alle leidingen en kabels in dubbele wanden zijn weggewerkt, zodat de verdiepingshoogte van vier meter bijna volledig beschikbaar blijft.
Het grondplan spreidt zich op een gelijkaardige manier uit – met een uitgesproken horizontale oriëntatie: er zijn slechts vier verdiepingen. De organisatie is bijna negentiende-eeuws: orthogonaal, axiaal en functioneel. Toch is het plan niet helemaal regelmatig, en is de ruimtelijke structuur niet in één oogopslag te vatten. Het noordelijke gedeelte is opgebouwd rond drie patio’s van verschillende grootte; het zuidelijk gedeelte bestaat uit vier ongelijke vleugels die het gebouw in drie richtingen weids in het landschap plaatsen (in de uiteindelijke bouwfase worden deze vleugels verder aangevuld, waardoor er bouwblokken met ingesloten patio’s zullen ontstaan). Tussen twee van die armen ligt het inkomplein: het wordt enkel door het plan gearticuleerd, en niet door een grote toegangspoort. De gevel is immers uniform opgebouwd uit witte, dragende en geprefabriceerde betonelementen, die recht op het zuiden geplaatst zijn. De diepte van de gevel zorgt ervoor dat het winterlicht de kamers doordringt; in de zomer wordt het licht – en daarmee de opwarming van de kamers – juist tegengehouden. Het homogene uiterlijk dat zo ontstaat, heeft volgens de architecten een ‘Arcadische’ lading. Dat is vergezocht: hoe mooi het omliggende landschap ook is – een harmonisch evenwicht met de natuur bereiken, ligt in een ziekenhuis niet voor de hand. De onverstoorbaar monotone gevel heeft een ander voordeel, en dat is de rust die deze architectuur installeert. Elke vorm van ruis is verdwenen. Het decor trekt zich terug, en legt alleen beslag op wat nodig is: oppervlakte, beschutting, licht, ruimte.
Natuurlijk: de autonomie van een even neutrale als functionele architectuur behoort evenzeer tot het rijk van de utopie. Sinds Foucault, en diens boek ‘Naissance de la clinique’ uit 1963, is het ziekenhuis ontmaskerd als een van de vele verlichte machines waarin de mens wordt onderzocht, behandeld en zelfs opgesloten. Recentelijk is Sven-Olov Wallenstein, in zijn boek ‘Biopolitics and the emergence of modern architecture’, daar nog een stapje verder in gegaan: het project van de moderniteit en de moderne architectuur valt volledig samen met dat van het ziekenhuis. Historisch moment is de brand van 1772 in het Hôtel-Dieu in Parijs. Dat was enkel een ‘gasthuis’ voor armen; de rijke zieken konden thuis sterven of genezen. Pas daarna is het hospitaal ontstaan als een verplichte genezingsmachine, en is bijna elk domein van het leven op een dergelijke manier tot een technische zaak gemaakt. Om de ziekte zin te geven, is in het ziekenhuis geen plaats; daar worden in het beste geval problemen opgelost, en leert de medische wetenschap bij voor later. Het ziekenhuis wordt daardoor een plek waar, zoals Foucault het schrijft, “de alzijdige waarneming van elke ziekte en de onmiddellijke erkenning van elke behoefte’ heerst – waar iedereen, met andere woorden, wordt aangestaard door ‘het grote Oog van het Leed’.” Dat oog vervreemdt de mens van zichzelf – meer nog dan de andere ogen van de moderne maatschappij, die ook stuk voor stuk door de architectuur van een kas worden voorzien.
Hoe zit dat in Kortrijk? Een klassiek antwoord wijst naar de kunst. In het universitair ziekenhuis dat Charles Vandenhove in Luik bouwde, wordt beroep gedaan op kleurige decoraties van onder meer Daniel Buren en Sol LeWitt, terwijl de architectuur zelf al probeert de patiënt tegemoet te komen door op herkenbaarheid of herbergzaamheid uit te zijn. Ook in Kortrijk is kunst geïntegreerd, maar dan wel in de vorm van afzonderlijke installaties (van Dan Graham, en binnenkort van Bernd Lohaus en Koenraad Dedobbeleer) of afgesloten ruimtes, zoals het nog uit te voeren mortuarium en de bezinningskapel van Richard Venlet (A+230). Op sommige plekken wordt ook het interieur kleurig (en soms wat al te keurig) aangekleed. Over het algemeen blijft de structuur van het ziekenhuis, zeker wat het exterieur betreft, naakt, zonder variatie of afleiding. Het is alsof zo wordt benadrukt dat de activiteiten van de medische techniek en wetenschap zinvol zijn, maar dat de grond ervan – het lijden – betekenisloos blijft. In Kortrijk wordt dat besef niet verborgen of verzacht door de architectuur. Het resultaat is dat de verschillende gebouwdelen samen de kans krijgen een oprechte waardigheid uit te stralen.

download pdf
Baumschlager Eberle + Osar
Kortrijk | 2012
A+239
pagina's 34-38

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

    Porte-à-faux

    Quatre ouvrages architecturaux récents
ou en cours de réalisation montrent des résolutions particulières à la réalisation de porte-à-faux, pour des programmes et avec des matériaux différents. Cet auvent carré en béton, réalisé dans le cadre d’un contrat de quartier pour un jardin récréatif à Molenbeek-Saint-Jean, se compose d’une grille octogonale de poutres. Les poutres aux côtés ont un très grand moment sur appui. Ces moments coïncident avec le moment d’une poutre en porte-à-faux de 9 m soumise à la même charge. Les poutres centrales de l’auvent ont quant à elles un grand moment en travée, comparable à celui d’une poutre avec une portée de 18 mètres.

    lees meer

    Belvédère des Coteaux de la Citadelle de Liège

    En porte-à-faux, la plate-forme triangulaire de 60 m² culmine sur le versant sud des Coteaux de la Citadelle. Le belvédère, imaginé par le bureau d’études paysage du Service de l’Aménagement des espaces publics de la Ville de Liège, a été conçu et réalisé par le Bureau d’études Greisch. Il fait partie du réaménagement complet des [...]

    lees meer

    Luifel

    Er breidt zich langzaam maar zeker een witte pixelwolk uit over het land. Een ludieke studie van de openbare ruimte, BXL 100, (> A+213) resulteert sinds 2011 in een aantal ingrepen in de openbare ruimte. Ze duiken op in het Brusselse Sint-Gillis en worden ontwikkeld in het Gentse Ledeberg. In Mechelen siert een luifel sinds kort het nieuw aangelegde Pasbrugplein.

    lees meer
© Werner Huthmacher
© Werner Huthmacher
© Werner Huthmacher

schrijf je in voor de nieuwsbrief