Buigen voor de mammon

Zaha Hadid Architects
gepubliceerd op 15.05.2017 | tekst David Peleman publieke ruimte
© Hufton + Crow

© Hufton + Crow


Het Havenhuis van wijlen Zaha Hadid moest de Antwerpse haven weer verbinden met de stad. Dat is niet gelukt. Waarom moest het project er dan absoluut komen?

In de architectuur is het kantoorgebouw een moeilijk genre. Het bouwprogramma is vaak weinig specifiek en kan herleid worden tot een stapeling van landschapskantoren met zogenaamde flex-plekken in diverse vormen en kleuren. Zelfs in het geval van meer specifieke ontwerpopgaves schippert de architectuur van die gebouwen dikwijls tussen onechte complexiteit en valse eenvoud. Slechts bij uitzondering wordt dat patroon doorbroken met een briljante meesterzet die zijn logica elders gaat zoeken. Een bekend voorbeeld is het wedstrijdontwerp van Adolf Loos voor het hoofdkantoor van ‘The Chicago Tribune’ uit 1922, een gebouw in de vorm van een reusachtige zuil.

Maar al bij al lijken opdrachtgevers en ontwerpers er vaak voor terug te deinzen om het kantoorgebouw op een intelligente en uitdagende manier te concipiëren. De terughoudendheid om het kantoorgebouw te erkennen als een complexe en stedelijk relevante opgave is een gemiste kans, gelet op het feit dat steden – ook provinciesteden – evolueren tot plaatsen waar in toenemende mate kapitaal accumuleert in grootschalige vastgoedoperaties voor kantoren.

Die terughoudendheid vaart ook tegen de stroom in van een breed gedragen zoektocht binnen de architectuurcultuur naar een ‘architectuur op maat’, waarbij kantoorgebouwen al te makkelijk gepercipieerd worden als buitenmaatse gebouwen die een zekere argwaan wekken. Die argwaan is niet gering in het geval van de ‘diamant’ die recent bovenop een historische brandweerkazerne geplaatst werd in de industriële woestenij van de Antwerpse haven. De diamant is van de hand van Zaha Hadid, die als laureaat naar voren kwam uit een Open Oproep in 2008. De wedstrijd stelde voorop dat het geklasseerde monument van de brandweerkazerne, een gebouw in neotraditionele stijl uit 1922 naar ontwerp van de Antwerpse architect Emiel Van Averbeke, geïntegreerd diende te worden in het nieuw te bouwen Havenhuis. Een opgave waarop alle teams in de Open Oproep hun tanden stuk beten in hun poging om een representatief en herkenbaar icoon te ontwerpen voor het nieuwe hoofdkantoor van het Havenbedrijf in deze uithoek van de stad. Een uithoek waarvan men toen nog dacht dat die de Oosterweelbrug als visionaire achtergrond zou krijgen, maar die nu louter in de schaduw ligt van huizenhoog gestapelde havencontainers en bergen bulkgoed.

Kunnen we zomaar onverwijld verzaken aan de buitenmaatse bedrijfsarchitectuur van het Havenhuis? Of valt er iets mee aan te vangen om een verhaal te vertellen over wat architectuur vermag?

© Tim Fisher

© Tim Fisher

 

Symbolisch koppelteken

De wijze waarop de diamant boven de kazerne balanceert, etaleert zonder meer ingenieurskundige inventiviteit en technisch vernuft, maar het gebouw omvat ook veel overbodige complexiteit die het weinig uitzonderlijke programma van kantoren – voor het centraliseren van de 500 werknemers van het Havenhuis – moet verhullen in een opzichtige verpakking. Dat kantoorprogramma is verdeeld over de diamant en de brandweerkazerne, waarbij de eerste verbijzonderd wordt door het toevoegen van enkele functies, zoals het bedrijfsrestaurant en het auditorium, die in de organisatie van het plan dankbaar gebruik maken van het weidse uitzicht over de Antwerpse haven.

© Hufton + Crow

© Hufton + Crow

De meest opmerkelijke rol van de bovenbouw zit hem evenwel in de verdraaiing van de site die deze diamant teweegbrengt, omdat die zo hoognodig het symbolische koppelteken moest vormen tussen stad en haven. De voormalige poorten voor de brandweerwagens, die oorspronkelijk ook de ‘smoel’ van het historische gebouw vormden, zitten daardoor wat doelloos op de zijkant, als een etalage voor de achterliggende kantoren. De scherpe punt van de diamant die richting stadskern wijst, vormt de nieuwe voorkant van het gebouw. Die punt berust op een grote voorpoot die, behalve voor het herbergen van een noodtrap, ook functioneert als een buitenmaats hoge luifel die de nieuwe hoofdtoegang markeert – een oude poort van het gebouw die van een veel kleinere schaal is. De poot staat neergeplant in een onbestemd en traditioneel geplaveid voorplein, dat in deze uithoek van de stad lijkt te wachten op publieke evenementen die de grandeur van het gebouw alle eer aandoen.

In de realiteit van het havenlandschap, waar stedelijkheid heel ver weg is, is het plein echter niet meer dan de verhulling van enkele lagen ondergrondse parking. Voorbij de ingang kom je op een overdekte binnenkoer, waar het onthaal van het Havenhuis zich bevindt, en van waaruit je in een weinig overtuigend perspectief de daarboven hangende diamant kunt aanschouwen. De toren van de voormalige brandweerkazerne, waar brandweerslangen te drogen werden gehangen, doet dienst als verticale circulatiekoker tussen de verschillende kantooroppervlakken. De inrichting van die kantoren laat zich lezen als een bloemlezing uit een catalogus van hedendaagse (flex-)werkplekken met vergaderzalen, vergaderhoekjes en vergadersofa’s in diverse uitvoeringen, strak geregisseerd binnen een beperkte kleurenwaaier.

© Hufton+Crow

© Hufton+Crow

De voornaamste uitzondering op de logica van het kantoorgebouw is ‘de brug’, het platform in openlucht dat tussen de diamant en de kazerne hangt. In een genereuze poging om meerwaarde te bieden aan het kantoorgebouw, functioneert de brug als een plastisch vormgegeven uitkijkplatform vanwaar je je tegoed kunt doen aan indrukwekkende vergezichten over stad en haven. Het platform is de gesublimeerde hereniging van stad en haven, en het is in die geste dat de echte complexiteit van dit gebouw schuilt. Want vanuit architecturaal oogpunt is er tot dusver weinig bijzonders aan de hand, daar in de haven. We zouden deze tekst hier dan ook kunnen afronden, tenzij we het kader voor het spreken over de architectuur anders construeren en buiten de architectuur zoeken, in de mythe die de stad en de haven voor zichzelf gecreëerd hebben en waarop de hele betekenis van dit gebouw berust.

 

Vergissing van de eeuw?

Sinds het midden van de 20ste eeuw onttrok de Antwerpse haven gestaag haar activiteit aan de historische stad om zich noordwaarts te begeven, richting nieuw te ontginnen terrein voor de bouw van haveninfrastructuur. Sindsdien worstelt de stad Antwerpen met de vraag hoe ze zich het beeld van de haven opnieuw kan toe-eigenen om haar identiteit als havenstad te onderschragen. Dat is niet zomaar een opportunistische kwestie die haar kiem heeft in het beeld van een roemrijk mercantiel verleden dat men niet wil lossen. Het is evenzeer een noodzaak, ingegeven door het onvermogen om zich een welvarende toekomst te verbeelden zonder de haven. De haven is als oorsprong en als (toekomst)horizon de gemeenplaats waarop de geschiedenis van Antwerpen berust en die men kost wat kost ook ruimtelijk probeert aanwezig te stellen in de stad.

In de publicatie van het structuurplan uit 2009 maakten Secchi & Viganò een interessante oefening om het contactvlak te vergroten tussen de haven en de stedelijke ruimte van de Antwerpse agglomeratie. Het Havenhuis aan de Siberiabrug – ooit het meest verafgelegen punt van de haven vanuit de stad gezien – is een monumentale poging om de haven opnieuw dichter bij de stad te brengen, door het Havenhuis in te schrijven in de skyline van de stad en in het collectieve geheugen van de Antwerpenaren. Die laatste ambitie werd ongewild bespoedigd nadat een uitspraak van Christian Rapp op een vastgoedbeurs in Cannes nogal ongelukkig werd geciteerd in enkele Vlaamse kranten. Uit dat citaat moest blijken dat Rapp het Havenhuis als “een gerealiseerde nachtmerrie” omschreef (De Tijd, 17 maart 2016). Havenschepen Marc Van Peel liet de commentaar van Rapp oorspronkelijk passeren, maar voelde zich korte tijd later toch genoodzaakt te reageren na het plotse overlijden van Zaha Hadid op 31 maart 2016, toen de hele zaak hem naar eigen zeggen “te machtig werd” (Het Nieuwsblad, 2 april 2016). Het leidde tot een omstandig publiek mea culpa vanwege de Antwerpse stadsbouwmeester, en daarmee was ook het incident gesloten, aldus Van Peel (Gazet van Antwerpen, 11 april 2016).

Daardoor lijkt het op het eerste zicht alsof dit alles slechts een storm in een glas water was. Maar het akkefietje zou pas compleet irrelevant zijn als het niet zou raken aan een dieperliggende kwestie die ons iets leert over de betekenis van dit gebouw voor de stad Antwerpen, haar haven en het veronderstelde belang ervan voor het volledige Vlaamse wingewest. Het Havenhuis kan immers niet los gedacht worden van het welvaartsmodel waarmee dit land doorheen de 20ste eeuw opgebouwd is. De haven is een van de fundamentele en heilig verklaarde pijlers van dat welvaartsmodel en van een ‘Vlaanderen in Actie’ dat zeer gevoelig ligt. Een model dat volgens sommigen nochtans onherroepelijk zijn houdbaarheidsdatum nadert, of dat op zijn minst dringend een kritische analyse behoeft. De econoom Geert Noels deed schoorvoetend een eerste stap in die richting toen hij recent een opiniestuk publiceerde in De Standaard (19 december 2016). Onder de titel ‘Gaan we de vergissing van de eeuw herhalen?’ stelde hij het volgens hem overschatte geloof in het economisch belang van containertrafiek in de haven in vraag. Noels wees erop dat in België niemand durft wat afgelopen zomer in Nederland gebeurde: daar suggereerde een strategische denkoefening dat Schiphol en de Rotterdamse haven niet langer de motor vormen van de economie. Zijn opinie werd de volgende dag in dezelfde krant promt weerlegd door enkele toplui van het Havenbedrijf en weggezet als ‘de vergissing van de eeuw’.

De hele kwestie openbaart een pertinente angst dat iemand al te veel vragen gaat stellen bij de expansiedrang en economische betekenis van de haven. En het Havenhuis is een instrument om die angst te bezweren. Het Havenhuis is een diepe buiging voor de mammon – de afgod van de heersing van het geld – in de veronderstelling dat de haven de welvaart kan redden. In die zin is het een relikwie van een al te eenvoudig en primitief denken over de toekomst dat wensdromen voor werkelijkheid houdt. “Typerend voor de denkwereld van zowel de primitieve mens als de neuroticus en het kind”, zo schreef Patricia de Martelaere ooit in haar essaybundel ‘Verrassingen’ (1997), “is een diep ingeworteld geloof in de almacht van het eigen denken. Niet alleen is bij hen de wens de vader van de gedachte, de gedachte is ook nog, op haar beurt, de vader van de werkelijkheid. Of liever: ze is de werkelijkheid zelf, werkelijker dan de buitenwereld, die ze naar believen meent te kunnen wijzigen en beïnvloeden.”

In tegenstelling tot een echt ‘huis’, dat op een evidente manier geworteld is in de taferelen van een alledaagse werkelijkheid, probeert het Havenhuis zich met veel opzichtige en onnodig complexe gesticulaties een plaats toe te eigenen in een gedroomde wereld die we vooral niet moeten willen. Leest u er maar eens ‘Expulsions. Brutality and Complexity in the Global Economy’ (2014) van Saskia Sassen op na.


 

* volgens Van Dale — ‘mammon’: het geld, voorgesteld als godheid. Uitdrukkingen: (1) voor de mammon buigen: uit zijn op rijkdom; (2) dienaar van de mammon: iemand die in het geld het hoogste ziet; (3) de mammon dienen: rijkdom boven alles stellen.

download pdf
Zaha Hadid Architects
Antwerpen | 2017
A+264
pagina's 5-8

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

    Belvédère des Coteaux de la Citadelle de Liège

    En porte-à-faux, la plate-forme triangulaire de 60 m² culmine sur le versant sud des Coteaux de la Citadelle. Le belvédère, imaginé par le bureau d’études paysage du Service de l’Aménagement des espaces publics de la Ville de Liège, a été conçu et réalisé par le Bureau d’études Greisch. Il fait partie du réaménagement complet des [...]

    lees meer

    Porte-à-faux

    Quatre ouvrages architecturaux récents
ou en cours de réalisation montrent des résolutions particulières à la réalisation de porte-à-faux, pour des programmes et avec des matériaux différents. Cet auvent carré en béton, réalisé dans le cadre d’un contrat de quartier pour un jardin récréatif à Molenbeek-Saint-Jean, se compose d’une grille octogonale de poutres. Les poutres aux côtés ont un très grand moment sur appui. Ces moments coïncident avec le moment d’une poutre en porte-à-faux de 9 m soumise à la même charge. Les poutres centrales de l’auvent ont quant à elles un grand moment en travée, comparable à celui d’une poutre avec une portée de 18 mètres.

    lees meer

    Luifel

    Er breidt zich langzaam maar zeker een witte pixelwolk uit over het land. Een ludieke studie van de openbare ruimte, BXL 100, (> A+213) resulteert sinds 2011 in een aantal ingrepen in de openbare ruimte. Ze duiken op in het Brusselse Sint-Gillis en worden ontwikkeld in het Gentse Ledeberg. In Mechelen siert een luifel sinds kort het nieuw aangelegde Pasbrugplein.

    lees meer

schrijf je in voor de nieuwsbrief