Breuklijnen

Philippe Vander Maren + Richard Venlet
gepubliceerd op 21.01.2015 | tekst Christophe Van Gerrewey niet-residentieel

In de woeste stedelijke omgeving van Sint-Gillis trekt kunstenaar Michel François zich terug in de rust van zijn atelierwoning. Architect Philippe Vander Maren en kunstenaar Richard Venlet tekenden voor de her-inrichting van de oude likeurdistilleerderij.

 

©Filip Dujardin

©Filip Dujardin

Als het hoofdpersonage in ‘A la recherche du temps perdu’ van Marcel Proust het atelier bezoekt van een schilder, moet hij de tram nemen door het kuststadje Balbec. Hij doet onderweg zijn best om “niet naar de lorrige pracht van de bouwsels te kijken waarvan Elstirs villa misschien wel de meest pompeus lelijke was, desalniettemin door hem gehuurd omdat het hem van alle bestaande huizen in Balbec als enige een groot atelier had te bieden.” Eenmaal binnen verdwijnt die drukke en onvolmaakte omgeving; “na deze hele van stadse lelijkheid doortrokken toegang,” schrijft Proust, “voelde ik de mogelijkheid om een dichterlijke kennis op te doen, rijk aan vreugden, van allerlei vormen die ik tot nu toe niet uit het totale schouwspel van de werkelijkheid had geïsoleerd.”

Is het dat waarin de werk- en leefruimtes van een kunstenaar moeten voorzien: isolement, leegte, afzondering, rust en helderheid, vrijgemaakt in een chaotische wereld? Het nieuwe atelier met woning van de Belgische kunstenaar Michel François bevindt zich in Sint-Gillis, in de dichtbebouwde woonbuurt van het Brusselse Zuidstation. Het valt samen met de achterbouw van een woning uit 1907, waarin zich ooit een afdeling bevond van likeurfabriek Cointreau. Het gebouw heeft een bewogen geschiedenis: in 1922 werd een laboratorium bijgebouwd; in 1928 werd het uitgebreid door het Brusselse duo Govaerts en Van Vaerenbergh (die ook het Vanderborghtgebouw realiseerden in de Schildknaapstraat, en de Taverne du Passage); en in 1947 voegde classicist Fernand Petit enkele annexen toe. Nu zijn het architect Philippe Vander Maren en kunstenaar Richard Venlet die van deze industriële ruimten een atelier maken. Het gaat om drie verdiepingen: een gelijkvloerse etage met een toegangsruimte, een gastenverblijf en – voorbij de kleine binnentuin – een kantoor, een werkplaats en een ‘toonzaal’; een eerste verdieping met een appartement en een terras – het appartement is verbonden met het atelier door een vide, bekroond met een bestaande serre –; en een grote kelder, toegankelijk van op straat langs de achterzijde van het complex.

 

 

 

© Filip Dujardin

© Filip Dujardin

 

De ingrepen van Venlet en Vander Maren zijn subtiel en punctueel. Om te beginnen verhogen ze de leesbaarheid van de ruimten door enkele architecturale elementen van een kleurcode te voorzien. Deuren die naar functionele en niet-private plekken leiden, zijn diepgroen gekleurd; private deuren grijzig roos. Andere accenten kregen een donkerrode (het metalen kader van twee knap gedetailleerde houten luiken boven een keldertrap) of een gele kleur (de toegang tot het kantoor, een houten voetbrug over de vide).

Het maakt de grote, hoge ruimten hanteer- en bewoonbaar, precies door enkele grenzen tot de schaal, de intimiteit en de zorgvuldigheid van een handbeweging terug te brengen.

 

© Filip Dujardin

© Filip Dujardin

 En dan zijn er natuurlijk de ramen: hoewel het de buitenwereld slechts spaarzaam kan toelaten, is een atelier ondenkbaar zonder licht. Ook dat merkt Proust op: “alleen een klein, door kamperfoelie omlijst vierkant raam stond open, uitkijkend, voorbij een strook tuin, op een laan; zodat het atelier voor het grootste deel donker, transparant en compact van sfeer was in zijn massaliteit, maar vochtig en glinsterend op de breuklijnen waar het werd ingevat in het licht, als een klomp bergkristal waarvan één alreeds geslepen en gepolijste kant hier en daar fonkelt, iriserend, als een spiegel.” Venlet en Vander Maren hebben in het Brusselse atelier twee nieuwe grote, rechthoekige ramen uitgespaard, met een verhouding die vaak terugkeert in de posters van François. Op de gelijkvloerse verdieping staat het raam rechtop, en kijkt het uit, aan de achterzijde, over een parkeerzone van sociale woningen, en verderop over de gevarieerde omgeving van een veelgelaagd stadslandschap. Op de eerste verdieping is het raam horizontaal georiënteerd, zodat het evenwijdig loopt met het door planten omgeven terras, en een van de talloze ramen wordt in dit stedelijk binnengebied. De glasplaten zitten zonder kader in de bakstenen muur: langs binnen krijgen ze een fotografisch aspect, langs buiten het aanschijn van een donkere spiegel. De buitenwereld mag op sommige plekken naar binnen in dit atelier, en het atelier toont zich aan diezelfde buitenwereld – het is de architectuur die de breuklijnen tussen binnen en buiten doet oplichten.

 

© Filip Dujardin

© Filip Dujardin

 

 

 

 

 

download pdf
Philippe Vander Maren + Richard Venlet
Brussel | 2015
A+248
pagina's 42

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

    Belvédère des Coteaux de la Citadelle de Liège

    En porte-à-faux, la plate-forme triangulaire de 60 m² culmine sur le versant sud des Coteaux de la Citadelle. Le belvédère, imaginé par le bureau d’études paysage du Service de l’Aménagement des espaces publics de la Ville de Liège, a été conçu et réalisé par le Bureau d’études Greisch. Il fait partie du réaménagement complet des [...]

    lees meer

    Porte-à-faux

    Quatre ouvrages architecturaux récents
ou en cours de réalisation montrent des résolutions particulières à la réalisation de porte-à-faux, pour des programmes et avec des matériaux différents. Cet auvent carré en béton, réalisé dans le cadre d’un contrat de quartier pour un jardin récréatif à Molenbeek-Saint-Jean, se compose d’une grille octogonale de poutres. Les poutres aux côtés ont un très grand moment sur appui. Ces moments coïncident avec le moment d’une poutre en porte-à-faux de 9 m soumise à la même charge. Les poutres centrales de l’auvent ont quant à elles un grand moment en travée, comparable à celui d’une poutre avec une portée de 18 mètres.

    lees meer

    Luifel

    Er breidt zich langzaam maar zeker een witte pixelwolk uit over het land. Een ludieke studie van de openbare ruimte, BXL 100, (> A+213) resulteert sinds 2011 in een aantal ingrepen in de openbare ruimte. Ze duiken op in het Brusselse Sint-Gillis en worden ontwikkeld in het Gentse Ledeberg. In Mechelen siert een luifel sinds kort het nieuw aangelegde Pasbrugplein.

    lees meer

schrijf je in voor de nieuwsbrief