Mythe en werkelijkheid (A+O, 1973)

gepubliceerd op 14.06.2017 | tekst Marcel Smets

Mythe1

Tussen het beeld dat sommige architektuurtijdschriften ophangen en de werkelijkheid van het bouwgebeuren ligt een steeds groter wordende kloof. Dat  valt op telkens men de opgenomen werken in  hun kontekst situeert. Die kontekst, en niet het alleenstaand architektuurmonument, vormt nochtans onze dagelijkse leefomgeving. Hoe verrijkend de inhoud van het gepubliceerde gebouw ook mag zijn, in de meeste gevallen houdt hij bij de voordeur op. Daarbuiten begint opnieuw de wereld van bodemspekulatie, minimum- en maximumafmetingen, bouwhoogten, massificering, sociale kontrole, honden aan de leiband houden, auto wassen en grasperk afrijden.

De bouwaktiviteit in België wordt, wanneer men de infrastruktuurwerken buiten beschouwing laat, beheerst door drie fenomenen: de promotorbouw, de sociale huisvesting en de partikuliere verkavelingen ver weg van alle voorzieningen. In het eerste geval komt het er alleen op aan een financieel rendabel konsumptieprodukt te leveren, in het tweede beletten allerlei voorschriften een armtierig vitaal minimum te overschrijden en in het derde wil ieder, zonder oog voor enig gemeenschapsverband, een droomkasteel bouwen dat binnen de grenzen van zijn budget en zijn verbeelding  valt.

Mythe2

Telkens ligt het wezen van wat gebouwd wordt (het waarom) op voorhand vast en blijft de architekt slechts over om zich met de praktische uitwerking (het hoe) bezig te houden. Zonder zich al te veel te bekommeren om de zin van dit bezig zijn, ontpopt de architekt zich als technologisch krachtpatser en ontwerper van inhoudloze vormen. Het ontbreken van een samenhangende architektuurtheorie leidt op die manier tot een grauw pragmatisme waar kritische instelling en verbeeldingskracht zijn zoek geraakt. Hoe in deze situatie aan de architektuur terug een maatschappelijke inhoud geven? Niet door zich aan zijn positie van architekt vast te klampen, het spel van hef systeem (noodgedwongen) mee te spelen en in een nieuwe formele behandeling een illusie van vernieuwing te vinden. Mogelijk wel door de positie zelf in vraag te stellen en zich op de sociale realiteit te richten. Zolang de architektuur in de

eerste plaats beoogt een eenzijdig technologisch- en kunstobjekt te zijn, keert zij zich af die werkelijkheid af en blijft zij een geïsoleerd fenomeen. Alleen wanneer ze inspeelt op de haar omgevende kontekst kan ze een aanknopingspunt vormen voor een meer leefbare omgeving. Met dat doel dient echter van in de besluitvormingsfase ingegrepen. In de klassieke rol van architekt kan dat, op kleine schaal bij sommige partikuliere bouwheren. Op grotere schaal kan het wellicht door als extern deskundige een nieuwe beleidsvisie te motiveren of door zich ter beschikking te stellen van eventuele aktiegroepen.

Om daarbij niet louter intuïtief te werk te gaan, maar zich te steunen op een min of meer samenhangende theorie, lijkt mij de historische dimensie erg belangrijk. Niet alleen om te ontleden hoe de huidige situatie zich uit een verleden, waar het bouwproces veel meer in funktie van de bewoner stond, heeft ontwikkeld, maar ook om na te gaan hoe bepaalde verwezenlijkingen die de opbouw van een nieuw sociaal milieu beoogden (de samenlevingen van de socialistische utopisten, de tuinwijken, de CIAM-hoogbouw), momenteel door hun bewoners worden ervaren. Op die manier kan men koncept en werkelijkheid aan elkaar terugkoppelen en kan men hopen hieruit gefundeerde uitgangspunten voor een ingrijpen in het hedendaags bouwgebeuren te extraheren.

 

>> Uit A+O (1973), lees meer

schrijf je in voor de nieuwsbrief