Marcel Smets: op zoek naar een architectuur voor onze specifieke aard

gepubliceerd op 13.02.2017 | tekst Bart Tritsmans

Smets

Een interview met Marcel Smets (°1947) over zijn emeritaat aan de KULeuven, en over zijn recente boek dat terugblikt op zijn carrière, leidt als vanzelfsprekend tot een vooruitblik naar de uitdagingen voor de architectuur. Het werd een gesprek over het belang van architectuur en infrastructuur voor de gemeenschap en over het herbekijken van de rol van de architect in het bouwproces.

 

Na een succesvolle loopbaan besloot u in 2016 om met emeritaat te gaan. U publiceerde naar aanleiding hiervan een nieuw boek, ‘De stad ontwerpen. Een leven tussen theorie en praktijk van de stedenbouw’. Wat wil u de lezer met dit boek meegeven?

Marcel Smets: Het boek bood me de unieke gelegenheid om terug te kijken op mijn leven, niet als een nostalgische commemoratie, maar als een evaluatie van wat mijn loopbaan heeft betekend voor mijzelf en voor het vakgebied; een ‘scientific autobiography’ waarin de lezers kunnen grasduinen. De publicatie werd opgebouwd rond 36 episodes die belangrijk waren in mijn loopbaan. Aan de hand van een plan, een foto of een krantenartikel, schreef ik telkens een essay van een vijfhonderdtal woorden, waarin ik de aanleiding en de totstandkoming van het project probeer vast te leggen. Ik benader de geschiedenis steeds vanuit het heden, en bekijk telkens of er iets beter had gekund, of ik vraag me af waarom mijn voorstel toen geen doorgang vond, terwijl het probleem zich vandaag nog steeds stelt. Op die manier ontdek je welke ideeën vormend zijn geweest voor de toekomst. Pieter Uyttenhove schreef een inleiding waarin hij de toon en het genre van het boekje perfect vat, maar ook de specifieke aard van mijn carrière belicht. Aan het maken van dit boekje heb ik erg veel plezier beleefd, ook al heeft het heel wat moeite gekost (lacht).

 

 

Over de Ring, Antwerpen © Organization for Permanent Modernity

Over de Ring, Antwerpen © Organization for Permanent Modernity

STAD MAKEN MET INFRASTRUCTUUR

Ik krijg niet het gevoel dat u tijd hebt om stil te zitten. U startte recent een samenwerking met Alexander D’Hooghe en zijn Organization for Permanent Modernity (ORG). Welke projecten liggen er in het vooruitzicht?

MS: Ik heb inderdaad niet het gevoel dat ik stilsta, maar wel dat ik op een ander tempo projecten kan realiseren. Sinds september 2015 ben ik ‘senior advisor’ en partner bij ORG², de stedenbouwpoot van ORG. Op mijn leeftijd is deze nieuwe samenwerking een mooi verhaal. Alexander D’Hooghe is bij mij gevormd, niet enkel als student, maar ook als medewerker aan het ontwerp van de Leuvense Stationsomgeving en als assistent tijdens mijn periode van gasthoogleraar aan de Harvard GSD. Alexander is nadien professor geworden aan het MIT (Massachusetts Institute of Technology). Al sinds onze levens verstrengeld zijn geraakt, planden we om ooit iets samen te doen, en dat is er op zijn initiatief eindelijk van gekomen. We hebben onze twee firma’s versmolten. Ik werk nu zes dagen per maand voor ‘ORG² Urbanism’, als raadgever. Als een soort van intern kwaliteitsbewaker stuur ik mee projecten en bouw ik relaties op met de opdrachtgever. Tot hiertoe met succes, want buiten het intendantschap voor de overkapping van de Antwerpse Ring, een verhaal dat iedereen kent, hebben we ook een Open Oproep voor de Europalaan in Genk en een wedstrijd voor een ontwikkelingsstrategie van de Denderboorden in Aalst gewonnen. Deze opdrachten liggen op het kruisvlak van een interessegebied dat me de laatste jaren meer en meer bezighoudt; het landschap van de infrastructuur, en de manier waarop infrastructuur onze steden bepaalt. Mijn stelling is dat infrastructuur zo moet bedacht worden dat je er stad mee maakt. Ondanks de crisis moet er blijvend in geïnvesteerd worden.

 

Enkele jaren geleden publiceerde u samen met Kelly Shannon het boek ‘The landscape of contemporary infrastructure‘, dat sterke weerklank kreeg in de wereld van de architectuur en stedenbouw, en dat intussen zelfs in het Chinees werd vertaald. Wat wilde u bereiken met het boek, en wat denkt u dat Vlaanderen kan leren uit deze analyse?

MS: Als ontwerpers moeten we begrijpen wat er omgaat binnen ons vakgebied. In het boek wordt er gefocust op de ontwerpconcepten van wegen en openbaar vervoer. We proberen te begrijpen wat de denkkaders zijn waarbinnen ingenieurs, architecten en landschapsarchitecten handelen. Het boek probeert die denkkaders systematisch te ontleden en analytische categorieën op te stellen van de typologieën die men telkens terugvindt. Wat je ziet is dat ontwerpers steeds volgens gelijkaardige insteken omgaan met het ontwerpen van infrastructuur. Vanuit een inventaris van projecten uit de hele wereld hebben we dan getracht om de essentie van de verschillende categorieën toe te lichten. De belangrijkste boodschap in het boek is dat infrastructuur veel meer kan zijn dan infrastructuur, en dat het een middel is om een integraal landschap, een integrale stad te maken. Een waarheid als een koe, waar je toch nog elke dag voor moet vechten.

 

 

WANORDE WERKT OOK BEVRIJDEND

Ik zou uw benadering van infrastructuur graag koppelen aan een veel eerdere periode uit uw loopbaan. Tijdens de jaren ‘70 werd België algemeen beschouwd als het lelijkste land ter wereld. In een interview met Oase in 2010 gaf u aan dat uw generatie daarom van mening was dat er steeds aandacht moest zijn voor het gemeenschappelijk belang. Is dat streven om te bouwen voor de gemeenschap vandaag nog steeds actueel, en is het volgens u te koppelen aan uw bredere benadering van infrastructuur?

MS: Het is zeker zo dat voor onze generatie, die zich in de naweeën van 1968 gevormd heeft, de gemeenschap het kernbestanddeel van stad en architectuur was. Ik blijf erbij dat ons vak fundamenteel dient om de wereld te verbeteren (grinnikt). Niet met navelstaarderij, maar met het bouwen van objecten waar de maatschappij beter van wordt. Om op je vraag te antwoorden: als je vasthoudt aan dat geloof, terwijl je het ziet afkalven, zoek je naar de laatste pijlers waarin je dat streven toch nog kan realiseren. En dan kom je inderdaad terug bij het landschap en de infrastructuur, en niet bij de individuele gebouwen.

 

Architectuur uit Vlaanderen staat internationaal hoog aangeschreven. De voorbije decennia maakte ze een sterke evolutie door met het instellen van de Vlaams Bouwmeester, de open oproepen, de stadsbouwmeesters. Waar ziet u, die deze evolutie van zeer nabij meemaakte, de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst?

MS: Architectuur uit Vlaanderen staat nu aan de top, terwijl we tot recent eerder navolgers waren. Maar we moeten die positie steeds opnieuw verdienen. We staan voor een test: de komende jaren zal moeten blijken wat de reële impact van de Bouwmeester(s) is. Het risico bestaat dat hun werking van binnenuit wordt uitgehold en we terecht komen in een soort zelfgenoegzaamheid. Ik hoop dat er in de toekomst nog meer reflectie wordt ingebouwd. De stad, en daarmee duid ik op verstedelijkt Vlaanderen, is sterk in ontwikkeling. De debatten over transport, verdichting en woonpatronen zullen moeten aangescherpt worden. Een belangrijke kwestie hierin is de zoektocht naar onze eigen aard. Onze verstedelijking heeft een eigen vorm en kwaliteit, en ik heb altijd gevonden dat deze wanorde ook bevrijdend werkt, en dat je dat niet overboord mag gooien. We komen in een situatie dat onze steden, veel meer door promotoren zullen worden gebouwd; promotoren die generische producten aanbieden. Ik ben er niet van overtuigd dat die projecten het ‘wonen’ (zoals Geert Bekaert het beschreef) erg ondersteunen. We staan dus voor een nieuwe opgave: een hedendaagse architectuur vinden die aangepast is aan onze specifieke aard.

 

 

LA MAÎTRISE D’USAGE

De rol van de architect wordt op dit moment door onderzoekers en architectenbureaus herbekeken. Er wordt onderzocht of de architect meer kan optreden als een adviseur, een expert of een curator in het bouwproces. Hoe ziet u deze veranderende rol?

MS: Een van de cruciale thema’s voor zowel stedenbouw als architectuur heeft te maken met de veranderende positie van de ‘deskundige’, de architect of stedenbouwkundige. De stedenbouwkundige moet evolueren van een ontwerper van een masterplan, naar de ontwerper van een kader, de curator van een ‘storyboard’. Ik bedoel daarmee dat de stedenbouwkundige, maar ook de architect,  de ruimtelijke condities moet vastleggen waaraan een project moet voldoen, maar de manier waarop dat gebeurt aan anderen kan overlaten. Zo kan je de bewoners, maar ook de vakman of de aannemer mee inschakelen om binnen bepaalde krijtlijnen bij te dragen aan de realisatie van een project. De vraag is alleen of er voldoende vakmannen beschikbaar zijn, en of er nog voldoende bewoners geïnteresseerd zijn om aan zo’n opgave mee te werken. Wanneer je ziet dat jongeren en bewoners in verschillende steden samenwerken om de publieke ruimte samen in te richten, dan vind ik dat een veelbelovende evolutie. Dat is niet nieuw natuurlijk, in de jaren ’70 bestond een gelijkaardig streven.

 

Hebben recente initiatieven als het Open Promotor Platform dat deze maand werd gelanceerd door het team van ‘We kopen samen de Oudaan (WKSDO)’ een toekomst in onze actuele maatschappij?

MS: Ik heb het gevoel dat er precies in deze tijd ruimte is voor bewegingen die samen iets construeren. Ik denk spontaan aan de roze mutsen die naar aanleiding van de inauguratie van Trump in het straatbeeld verschenen. Initiatieven als dit onthullen een ondertoon die in de maatschappij aanwezig is. Vanuit een positieve insteek tonen mensen dat ze zich niet neerleggen bij het lot dat door soms onbekwame politici voor hen bedacht werd. Die reactie wordt minder dan vroeger beheerst door een NIMBY-reflex . In de nieuwe initiatieven schuilt vaak de boodschap zelf aan de slag te willen gaan. Mede door nieuwe technologieën kan zelfs aan ‘crowdfunding‘ worden gedaan zonder dat er tastbare ‘crowd’ bestaat. Mensen vinden ook steeds minder wat ze zoeken in de klassieke producten van projectontwikkelaars. Ik vind initiatieven zoals WKSDO fantastisch, en je ziet overal zulke collectieven en initiatieven ontstaan. Mensen gaan opnieuw nadenken over ‘la maîtrise d’usage’; de gebruikswaarde van een gebouw, in de ruime zin van het woord, die van richtinggevende betekenis wordt.

 

Krokus (Werkgroep voor de rehabili- tatie van de stedelijke omgeving) – Dymphnarium speelplein

Krokus (Werkgroep voor de rehabilitatie van de stedelijke omgeving) – Dymphnarium speelplein, Mechelen, 1975

In 1974 lanceerde u een project, samen met b0b Van Reeth en Jean-Paul Laenen, om het begijnhof in Mechelen te revaloriseren in samenwerking met de bewoners. Het project was sterk gelinkt aan vakmanschap. Hoe schat u het belang van vakmanschap in voor de architectuur van vandaag?

MS: Emancipatie door het vinden van genoegen en trots in een vak is cruciaal. We moeten terug naar een situatie waarin dit voor architectuur mogelijk is. Ik herinner met veel heimwee het pleintje dat we met ‘Krokus’ in Mechelen maakten in 1974. Een van de belangrijke ‘contributeurs’ daarin was ‘de Lodde’, een fantastische straatlegger van de stad Mechelen, die ons ter beschikking werd gesteld. We bespraken met die man wat we wilden realiseren: een plek waar kinderen zouden kunnen koorddansen, een heuvel waarop ze konden klimmen, een beschutting als ze in de zandbak speelden. Tijdens dit soort gesprekken kreeg het pleintje zijn definitieve vorm. De werkvreugde en de trots die door dit soort uitwisselingsprocessen ontstaat, is niet te onderschatten. Werklieden die dergelijke capaciteiten hebben, en in de bouwnijverheid aan de slag kunnen, moeten deze ten volle kunnen ontplooien. Het vraagt een andere organisatie van het bouwproces, maar dat is een boodschap die ik zeker wil uitdragen, en die volgens mij te realiseren is, omdat er in Vlaanderen nog een traditie bestaat van enthousiasme over het bouwen van een eigen huis. 

schrijf je in voor de nieuwsbrief