Noordwijk: nieuwe perspectieven

gepubliceerd op 22.02.2018 | tekst Pierre Lemaire
De afwezigheid van een levendige plint bij de WTC-torens draagt niet bij tot de kwaliteit van de publieke ruimte in de Noordwijk in Bussel. © Alex

De afwezigheid van een levendige plint bij de WTC-torens draagt niet bij tot de kwaliteit van de publieke ruimte in de Noordwijk in Bussel. © Alex

De Brusselse Noordwijk bevindt zich op een keerpunt. Nu de huur van verschillende grotere huurders teneinde loopt en er dus steeds meer panden leeg komen te staan, zien de privésector en de academische sector zich genoodzaakt om de mouwen op te stropen en de uitdaging aan te gaan. De openbare sector is bereid om op de trein te springen. A+ zet de verschillende initiatieven even op een rijtje.

Gesprek met Sven Lenaerts, coördinator van Up4North (vzw opgericht door de belangrijkste vastgoedoperatoren van de Noordwijk) en oprichter van het netwerk Lab North, samen met Marie-Anaïs Bluteau (projectleider bij Vraiment Vraiment), Dieter Leyssen (architect bij 51N4E) en Roeland Dudal1 (partner bij AWB). We praatten ook met Dr. Petra Pferdmenges, oprichtster van Alive Architecture en docente aan de KUL-masteropleiding Studio BRU.S.L.XL2, waar het academisch agentschap Living North uit vloeide, waarvan de studenten Mathilde Jacobs, Caro Baens en Bahareh Sabouri lid zijn.

1Roland Dudal was helaas niet aanwezig op het gesprek.

2Studio BRU.S.L.XL van de KUL werd opgericht in 2015 door Dr. Petra Pferdmenges, Nele Stragiers en Christopher Paesbrugghe met het oog op ontwerponderzoek.

A+: Lab North telt heel wat medewerkers die zich buigen over de Noordwijk (NW). Welke rol spelen jullie daarin?

Sven Lenaerts: Ik vertegenwoordig Up4North, de vereniging van de grootste vastgoedpartners van de Noordwijk (NW) die streeft naar een coalitie van de verschillende partijen om de wijk nieuw leven in te blazen. Dit houdt het beheer en de coördinatie in van alle projecten en het bewerkstelligen van een coalitie tussen overheid, privé en burger. Het initiatief situeert zich dus wel degelijk in de privésfeer, maar het is wel de bedoeling om het publieke kader te verbeteren in samenwerking met alle actoren. Bewijs hiervan is de oprichting van het netwerk Lab North waarin Up4North samenwerkt met het ontwerpagentschap Vraiment Vraiment, het architectenbureau 51N4E en de think-and-do-tank Architecture Workroom Brussels.

Dieter Leyssen: 51N4E is een architectenbureau dat veel reconversieprojecten in zijn portfolio heeft. Een kernbegrip van ons agentschap dat als rode draad kan worden beschouwd, is het aanpasbaar hergebruik. Of hoe er, in het geval van de reconversie  van een site of een gebouw, kan worden nagedacht over het toekomstige gebruik mét en niet tégen de gebruikers van de site of wijk. Dat is onze taak binnen Lab North. De NW leek ons een interessante casus om deze zaken op stedelijke schaal aan te pakken. Momenteel bestaat onze bijdrage aan het architecturale aspect van de research binnen Lab North uit de ontwikkeling in situ van de voorlopige ruimtelijke configuraties in afwachting van een herstructureringsproject. Deze studies moeten ook als informatieve basis dienen voor een toekomstig reconversieproject. Het betreft dus een concept op korte én op lange termijn.

Marie-Anaïs Bluteau: Vraiment Vraiment is een ontwerpagentschap van openbaar beleid en stedenbouw. Onze rol binnen Lab North was om een manier te vinden om bij de opstart van het project alle betrokkenen samen te brengen. Dit is gebeurd in de vorm van brainstormsessies met als doel te bespreken wat haalbaar, wenselijk was… De ideeën werden op tafel gelegd en er werd gepoogd om klaarblijkelijke tegenstrijdigheden tussen de verschillende partijen weg te werken. Daar waar de standpunten van de bewoners, eigenaars en werknemers bij aanvang nog strijd met elkaar leken te leveren, zijn we er tijdens de workshops toch in geslaagd om de neuzen in dezelfde richting te plaatsen, met name met het zicht op een leefbare wijk waar het aangenaam wonen is. Het project krijgt een vervolg met de oprichting van de website Platform North, waarvan het inclusieve karakter ons fundamenteel lijkt. We willen ons hierbij niet beperken tot de actoren van de wijk, en ons richten tot  groot-Brussel. 

A+: Is de website Platform North een belangrijk instrument voor uw beleid van tijdelijk gebruik?

DL: Absoluut. Begin november 2017 werd een platform opgericht voor tijdelijk gebruik. Deze eerste oproep voor kandidaten leverde al meteen 67 inschrijvingen op vanuit het hele gewest, waarin veel mensen op zoek zijn naar ruimte. We hopen dat de komst van deze nieuwe gebruikers een gelijkaardige dynamiek kan teweegbrengen als binnen de domeinen van het academische of de architectuur.

SL: Het doel is inderdaad om gebruikers aan te trekken die complementair zijn bij de groepen die vandaag reeds vertegenwoordigd zijn, zoals administraties of bewoners. We hadden dus een reeks criteria gedefinieerd waaraan de kandidaten moesten voldoen om dit aanvullende karakter te verzekeren én om ervoor te zorgen dat zij een toegevoegde waarde zouden zijn voor het sociale leven in de wijk. De komst van jonge mensen met andere gewoonten en dagindelingen dan de huidige gebruikers zorgt voor een verbreding en verrijking van wat momenteel leeft in de wijk. Deze nieuwe doelgroepen maken het mogelijk om het gebruik en de polsslag van de openbare ruimte of handelszaken op een andere manier te benaderen. Ze vormen een aanvulling bij de ambtenaren die er, met hun vaste uurroosters, slechts beperkt gebruik van maken.

A+: Is deze oproep voor kandidaten voor tijdelijk gebruik een eenmalige zet, of de eerste van vele die nog zullen volgen?

SL: Vooreerst is het belangrijk te weten dat deze oproep een initiatief is van Up4North, in een concept en beheer van Lab North. Het initiatief is gebaseerd op de vaststelling van de behoorlijk grote leegstand die, zij het maar tijdelijk, wordt aangewend om nieuwe doelgroepen aan te trekken en tegelijkertijd ook onze visie bekendheid te geven. Vandaag zijn we gestart met een kleine selectie van ruimten in twee gebouwen zonder te weten hoe het initiatief zou worden onthaald. Gezien het grote succes, ga ik ervan uit dat er gedacht kan worden aan een tweede reeks. In het gebouw waar wij ons bevinden, loopt het tijdelijk gebruik binnen hier en een jaar ten einde. Maar dat betekent niet dat er geen andere gebouwen zijn die op dit moment leeg staan, kunnen worden opengesteld voor tijdelijk gebruik. Het betreft dus wel degelijk een hernieuwbaar proces.

A+: Petra, de doelstelling van de studies die u dit jaar voert in de studio BRU.S.L.XL lijken zeer dicht in de buurt te komen van wat Dieter beschrijft, of niet?

Petra Pferdmenges: Inderdaad. Ik heb trouwens enkele zeer interessante discussies kunnen bijwonen in het kader van de workshop ‘Hybrid Business Districts’ met Freek Persyn van 51N4E en UHasselt, die hier plaatsvond. In het kader van een discussie over de toekomst van de NW, heb ik opgemerkt dat de innovatie te zoeken is in wat UHasselt en 51N4E hier vandaag realiseren: de site op een schaal van 1:1 activeren –een aanpak die door Alive Architecture in Brussel in de praktijk wordt omgezet sinds 2010. Ik heb dus het belang uitgedrukt van het voortzetten van deze sociaal-ruimtelijke dynamiek die de eerste stap vormt naar het opnieuw tot leven wekken van de wijk. En van het belang om, zodra dit gebouw af is, te verhuizen naar een ander gebouw in de wijk. Sindsdien heeft de KU Leuven er zijn studio ondergebracht op de 24ste verdieping.

Bahareh Sabouri: Living North is een organisatie die is ontstaan vanuit de studio BRU.S.L.XL van de master architectuur van de KU Leuven. In oktober konden we onze intrek nemen in de WTC 1-toren. Het is een unieke kans om buiten de schoolmuren te treden.

Mathilde Jacobs: Om te beginnen hebben we een analyse uitgevoerd van de wijk, aan de hand van gesprekken met de verschillende actoren. We werken volgens een bottom-up-principe. Bovendien streven we naar het ontwikkelen van een visie die reikt tot 2040. De gegevens die werden verzameld via onze analyse en de gesprekken geven deze visie mee vorm. Het doel is de ontwikkeling van een proces dat zich uitspreidt over de periode van vandaag tot 2040.

Jury van de ontwerpstudio ‘Hybrid Business Districts - Brussels North’ van Freek Persyn, Dieter Leyssen en Nick Ceulemans van UHasselt. © Dieter Leyssen.

Jury van de ontwerpstudio ‘Hybrid Business Districts – Brussels North’ van Freek Persyn, Dieter Leyssen en Nick Ceulemans van UHasselt. © Dieter Leyssen.

A+: Wat is de doelstelling van die ongewone academische praktijkformat?

DL: In het kader van onze eerste masterclass hebben we een soortgelijk agentschap opgericht dat ons in staat stelde om naar de stadsbewoners, de vastgoedpartners, de activisten toe te stappen. Kortom: om een publiek debat te openen.

PP: Het initiatief van het model van de academische toepassing in het kader van onze studio BRU.S.L.XL is er gekomen om een impact via het onderwijs te genereren – een missing link tussen het academische en de praktijk. Dit is overigens ook het thema van de volgende internationale biënnale van architectuur in Rotterdam (IABR 2018-2020) die nota bene plaatsvindt in de WTC 1. Alive Architecture is een ander voorbeeld van de academische praktijk – een van de vele reflectieve praktijken in Brussel (Donald Schön, 1983, The Reflective Practitioner) – die begin 2018 zal verhuizen naar WTC 1. We zullen de truck die we hebben gelanceerd in het kader van Parckdesign 2014 – Parckfarm meenemen, en we hopen die te kunnen delen met andere spelers binnen de wijk. Het hoofddoel bestaat uit de inclusie van vele spelers – ook de bewoners en vluchtelingen.

MJ: Het bottom-upkarakter van ons werk, met diverse partners werken, is belangrijk. We hebben heel wat gesprekken gevoerd met Lab North, bewoners, voorbijgangers, de boerderij van het Maximiliaanpark en vluchtelingen… We proberen een analyse te maken van de transformatie die momenteel plaatsvindt, weliswaar met de ogen op 2040 gericht.

SL: Dat is een ambitie die we allemaal hebben: we beogen een langetermijnvisie maar willen hier en vandaag ook wel concrete zaken gerealiseerd zien. Om het iets prozaïscher te zeggen: we moeten zowel werk maken van de software, of hoe de plaatsen op korte termijn te activeren, als van de hardware op langere termijn.

M-AB: In zekere zin kunnen we zeggen dat Lab North een levend prototype is van de reconversie van de kantoorwijken.

A+: De Noordwijk maakt duidelijk een overgangsfase door. Is deze bestemmingswijziging van de wijk volgens jullie te wijten aan de eigenschappen die eigen zijn aan het Manhattanplan?

BS: Wat opvalt is dat de wijk volledig gericht is op de kantoorfunctie en dat de auto een centrale plaats krijgt toebedeeld in de openbare ruimte. Dit vertaalt zich in een zekere eentonigheid zowel op vormelijk vlak als wat het gebruik van de openbare ruimte betreft. We stellen ook vast dat de wijk ingedeeld is in drie relatief contrasterende zones: het administratieve gedeelte met zijn torengebouwen; een gedeelte dat voornamelijk bestaat uit sociale woningen en scholen; en tot slot de zone langs het kanaal waar heel wat prijzige woonprojecten uit de grond schieten. Deze zones zijn fysiek van elkaar gescheiden door brede lanen en de respectieve doelgroepen komen niet met elkaar in aanraking. De povere kwaliteit van de openbare ruimten op het vlak van gebruik stimuleert overigens niet om er tijd door te brengen en nog minder om er naartoe te gaan.

SL: Voor velen is het Manhattanplan hét voorbeeld van hoe het niet moet op het vlak van stedenbouw. Deze slechte reputatie komt de aantrekkelijkheid van de wijk niet ten goede. Wat de fysieke ervaring betreft, worden de zaken nog extra bemoeilijkt door de vele drempels voor slechtzienden en stedelijke versperringen. De meeste kantoorgebouwen zijn ruim twintig jaar oud en niet aangepast aan de nieuwste werkmethodes. Dit alles, en het gebrek aan dienstverlening in de brede zin, vormen allicht de hoofdredenen van het grootschalige vertrek van bedrijven uit de wijk.

Daartegenover staat het enorme potentieel van de Noordwijk. Niet alleen is er het immense aanbod van beschikbare kantoorruimte, de wijk is ook strategisch gelegen, vlak bij het stadscentrum en bovendien vlot bereikbaar dankzij het multimodale knooppunt van trein, kanaal en de Kleine Ring. Door de stijgende tendens van de leegstand (10-15 procent) geloven we er werkelijk in dat het typemodel van een kantoorpand herzien moet worden.

Onze uitdaging bestaat erin om het model te hertekenen en er het principe van multigebruikers en de verticale mix woningen/bureaus te integreren. Met nieuwe gebruiksmodellen van de kantoorruimten en een nieuw dienstenaanbod zullen de huurders hun weg terugvinden.

A+: Jullie zijn dus in feite op zoek naar nieuwe enthousiastelingen die, samen met de huidige bewoners en gebruikers, de wijk nieuw leven kunnen inblazen? Wie lopen jullie in de NW nu vooral tegen het lijf?

Caro Baens: Van 9 tot 5 zijn er de bedienden en ambtenaren, en na 17 u de bewoners, die het evenwel met een pover dienstenaanbod moeten doen. Er zijn supermarkten noch cafés. Het Maximiliaanpark is er ook een onderkomen geworden voor migranten. En tot slot zijn er de vastgoedeigenaars zelf. Het zou interessant kunnen zijn om een aanpak te ontwikkelen van integrative gentrification waarbij wordt gestreefd naar een sociaal-economische dynamiek tussen de verschillende actoren, in functie van hun behoeften en competenties.

DL: De historische context van het ontstaan van de wijk kan ons hierbij helpen. De wijk is het resultaat van een top-down benadering van openbare en private actoren, zonder dat er werd stilgestaan bij de gebruikers of de participatieve processen die moesten worden voorzien. In de jaren 1960 werden de meeste wijkbewoners onteigend en na een lang onderhandelingsproces van meer dan tien jaar, zijn er nieuwe gebruikers in de plaats gekomen, zij het zonder grote overtuiging. De verhalen spreken voor zich. Zo werden er shuttlebussen ingelegd tussen het Noordstation en het werk om te vermijden dat de werknemers de wijk te voet moeten doorkruisen. We moeten nu lessen trekken uit het stedelijke transformatieproces. De nalatenschap van het Manhattanplan is makkelijker te dragen op morfologisch vlak dan op het vlak van begeleiding van de gebruikers, want daar schoot het plan duidelijk te kort.

SL: Een ander veeleer jong publiek is dat van de backpackers die de bus nemen aan het Noordstation. Of het hotelclientèle van het Rogierplein. Ook die mensen, die weliswaar overnachten in de wijk, trekken door het gebrek aan diensten zo snel mogelijk naar het centrum. Het is dus van cruciaal belang om werk te maken van deze dienstverlening zodat de wijk méér wordt dan een transitzone.

DL: Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het verrassend om vast te stellen in welke mate de wijk ondergebruikt wordt, ondanks de relatieve continuïteit van de grote boulevards en de nabijheid van de kanaalzone. Het zou dan ook interessant kunnen zijn om niet alleen stil te staan bij de lokale spelers, maar ook de mogelijkheden van gebruik te bestuderen voor bevolkingsgroepen van buiten de wijk. De openbare ruimten zijn er ongewoon omvangrijk en zouden plaats moeten kunnen bieden aan activiteiten waarvoor binnen het klassieke stedelijk weefsel van Brussel niet altijd ruimte is.

PP: De recentste nieuwkomers zijn allicht de studenten van de KUL op de 24ste verdieping en de leden van Lab North op de 16de verdieping. De terreinstudies en de veelheid aan conversaties die ze aangaan om hun toekomstvisie uit te werken, hebben op zich al een impact op het dagelijkse leven in de wijk. Geleidelijk aan profileren ze zich als bemiddelaar van de transformatie die aan de gang is. Rest er een belangrijke vraag: wie van de verschillende actoren en belangengroepen van de wijk zal, in navolging van de studenten, deze taak van bemiddeling op zich nemen? Het lijkt ons van belang om erop toe te zien dat IABR 2018-2020 een inclusief proces genereert met alle lokale betrokkenen – dat wil dus zeggen ook de vluchtelingen en de bewoners. Anders dreigt de transformatie van de NW een blingblingproject te worden zoals er vele andere zijn in de wereld. In het project Parckdesign 2014 – Parckfarm, gaven Alive Architecture en Taktyk vorm aan een aanpak die de integratie beoogde van lokale actoren via een biënnale. In het kader van IABR 2018 – 2020, heeft Alive Architecture voorgesteld om deze nieuwe rol van de architectuur te reproduceren en verstevigen. Er wordt momenteel gewerkt aan een economisch model.

Bent u erin geslaagd om, rekening houdend met het modernistische karakter van de wijk, de grote leegstand en de bijgevolg lage huurprijzen en tot slot ook haar reusachtige potentieel, de punten te identificeren waarop u uw inspanningen moet richten? En dit in het licht van een context van onzekere overheidsfinanciën.

DL: Het experiment dat we hier hebben opgestart, is deels ontstaan vanuit de vaststelling dat de openbare besturen geen langetermijnvisie of masterplan hebben. Een aantal actoren heeft dus het heft in eigen handen genomen. Wat begon als een privé-initiatief, werd opgepikt door de gewone burger en vervolgens ook door de academische wereld. Dit heeft geleid tot een overvloed aan ideeën en werken die allicht niet mogelijk zouden zijn geweest in het geval van een klassieke stedenbouwkundige studie. Zo is de studio BRU.S.L.XL van Petra, Nele en Christopher zeer bedreven in het leggen van verbanden tussen de architecturale en stedelijke visies enerzijds en het effectieve tot leven brengen van de wijk door middel van ingrepen op het terrein anderzijds. De studio die Freek en ikzelf leiden, focust dan weer meer op de klassieke assen van de wijk en meer bepaald op de manier om van de Bolivar-as de hoofdas te maken in plaats van de Albert II-as. Onze benadering situeert zich op meerdere niveaus, en ik denk dat dit meer zal opleveren dan een klassiekere studie. Ik ben geen voorstander om de overheidssubsidies af te voeren maar dankzij onze benadering zouden de beschikbare fondsen beter toegewezen kunnen worden op basis van de huidige behoeften en problemen van de wijkgebruikers.

SL: Het kan hier inderdaad gaan om een nieuw model van cocreatie. Het feit dat negen vastgoedpartners hun krachten bundelen in Up4North en hierbij hun privébelangen opzij schuiven om een coalitie van vitale krachten te vormen, is behoorlijk ongebruikelijk. In de wetenschap dat, om vooruitgang te boeken, de openbare instanties betrokken moeten worden, heeft Up4North ook op deze laatste een beroep gedaan om een coalitie op te richten. We menen dat deze praktijken nieuwe vormen van partnership en samenwerking kunnen teweegbrengen. Op de dag dat er opnieuw openbare fondsen in de wijk geïnvesteerd kunnen worden, vermoed ik dat men met ons in gesprek zal gaan om te weten wat we hebben kunnen bewerkstelligen en welke onze bijdrage kan zijn. Volgens mij hebben we hier dus te maken met een nieuwe manier van samenwerken met private en publieke actoren en de burgermaatschappij.

DL: De wijkcontracten zijn een interessant precedent aangezien ze ook ontstaan zijn vanuit een dialoog tussen La Cambre en de verschillende belangrijkste betrokken partijen in die tijd. Misschien kunnen we een nieuw soort wijkcontract lanceren maar dan op een hoofdstedelijke schaal.

SL: Het platform dat we online hebben geplaatst voor tijdelijk gebruik is een soort experiment dat ver verwijderd is van een grote stedelijke visie voor de wijk. De Europese wijk of het Mediapark hebben een zeer duidelijke identiteit, in tegenstelling tot de Noordwijk. Ik denk dat de projecten waarmee we momenteel bezig zijn ons enkele lessen zullen leren. Heeft dat ecosysteem van vernieuwende actoren waarnaar we op zoek zijn, wel zin? Maakten we de juiste analyses? Willen deze actoren wel naar hier komen? Ik herhaal dat het een software-aanpak betreft met als ambitie om ooit een ruimere visie te voeden.

Bolivarlaan, 2040. © Caro Baens

Bolivarlaan, 2040. © Caro Baens

Zou het wijkcontract waar Dieter het over had, het juiste instrument kunnen zijn om het proces dat jullie in gang hebben gezet te ondersteunen?

SL: Enerzijds is het zo dat wijkcontracten vaak vorm krijgen daar waar er huisvesting is. Dit verklaart wellicht dat de twee contracten voor stedelijke renovatie in dit deel van Brussel zich beperken tot de grenzen van de Noordwijk zonder zich in de wijk zelf te wagen. Anderzijds kan worden gesteld dat, als het streefdoel van deze CRU erin bestaat om samenhang te creëren en stedelijke barrières op te heffen, het absoluut zin zou hebben om ook voor de Noordwijk een wijkcontract te realiseren. Wij pleiten bijgevolg voor een bredere visie die de kantoorwijk integreert.

DL: Ik denk dat we het ongewone karakter van de NW moeten onder ogen zien, zowel in termen van complexiteit als van vastgoedpark. De reflectie over de toekomst van het modernistische erfgoed is een behoorlijk recent onderwerp voor architecten en stedenbouwkundigen. De wijkcontracten hebben een logica ontwikkeld van micro-interventies voor wijken die compleet anders zijn dan de NW. Hier zal er dus allicht een ander soort van tool nodig zijn. Het is dan ook van belang dat de openbare instanties vooruit blijven kijken en nieuwe hulpmiddelen blijven ontwikkelen in functie van de uitdagingen die zich voordoen. Het recente debat dat werd georganiseerd door de brusselse bouwmeester over de gebouwen van de jaren 70/80, getiteld ‘Should I Stay or Should I Go ?, lijkt me een beter voorstel dan te trachten om alles te kaderen binnen hulpinstrumenten die, ook al zijn ze nuttig gebleken voor een welbepaald soort van wijk, vermoedelijk niet geschikt zijn voor hier.

A+: En dan komen we bij de vraag van het bestuur.

SL: De invoering van een bestuur voor de NW is complex. In termen van openbare besturen valt de NW onder drie gemeenten en ook onder de regionale bevoegdheid. We denken dat Lab North, in zijn hoedanigheid van interface met als streefdoel het oprichten van coalities, een faciliterende rol zou kunnen spelen bij de oprichting van een doeltreffend bestuur. Het eenvoudigweg samenbrengen van de gemeentelijke en gewestelijke verantwoordelijken binnen de workshops van Café North is een eerste stap in de richting van een gedeelde visie tussen de openbare en privésector.

PP: De samenwerking tussen openbaar en privé, en de combinatie van zowel een bottom-up- als top-downaanpak, lijken me essentieel voor het welslagen van het project. Momenteel werken de studenten ter plaatse en voeren ze actie in de wijk, maar de vraag is welk bestuur zal moeten worden voorzien om hun betrokkenheid – en vooral deze van de actoren in de omgeving te verduurzamen? Dit is een open vraag waarop wij een antwoord moeten bieden, of dit nu is via Lab North of tijdens IABR 2018-2020 of binnen de context van studio Towards Inclusive Gentrification die ik lanceer in februari 2018 in het kader van de internationale master van de KU Leuven.

Een kernprobleem van de herstructurering van de wijk is de stedelijke intensiteit, of liever het gebrek eraan. Is dit een thema dat jullie aan bod laten komen in jullie projecten?

MJ: Vorige week hebben wij voor één dag Café North gehouden. De studenten van BRU.S.L.XL brachten een zeer divers publiek samen: kantoorbedienden, leerlingen… Een voorbeeld van hoe de benedenverdiepingen tot leven kunnen worden gebracht, dat symbool staat voor ons streven naar het op elkaar afstemmen van de bebouwing en de openbare ruimte. Dit principe van het aanbieden van diensten op de begane niveaus van de gebouwen en deze diensten open te stellen voor iedereen en niet alleen voor de gebruikers van het gebouw in kwestie, zou trouwens mee bepalend moeten zijn bij de manier waarop de nieuwe gebouwen moeten worden opgevat.

PP: Dit voorbeeld toont het belang aan voor de studenten om de economische factor te integreren in hun werk, wil men verder gaan dan een academische visie die blijft hangen in idealisme. Samen met Up4North moet er wel nog naar vormen van synergie worden gezocht. Het doel van de oprichting van de academische praktijk Living North binnen de KU Leuven bestaat er precies in om het academische en de praktijk uit hun respectievelijke keurslijf te halen. De bedoeling is trouwens om dit werk verder te zetten na afloop van de studies.

DL: Ik denk dat er reeds enkele schoolvoorbeelden bestaan over de onderlinge afhankelijkheid tussen de actoren van het stedelijk project. Ik reflecteer hierover in het kader van het Cities-program van de London School of Economics. In veel gevallen van tijdelijk gebruik of van een bottom-up-proces is er geen reële onderlinge afhankelijkheid tussen de eigenaars en de tijdelijke gebruikers. Terwijl, in het geval van de begane niveaus, we een reële onderlinge afhankelijkheid tussen de actoren tot stand kunnen brengen, met een gedeeld economisch voordeel. Zo zouden we bijvoorbeeld een economische lus kunnen ontwikkelen waarin de eigenaars uit gemeenschappelijk belang meewerken aan de tijdelijke activering van de begane grond aangezien dit een positieve impact zal hebben op het sociaal kapitaal van de wijk. De economische onderlinge afhankelijkheid is hoe dan ook een belangrijke voorwaarde waarmee rekening moet worden gehouden. Dit experiment over het hoe belemmert ons niet in het hebben van een behoorlijk duidelijk beeld van de stad van morgen.

SL: Tijdens onze inspanningen om de begane grond van de gebouwen nieuw leven in te blazen met diensten die voor iedereen toegankelijk zijn, werden we met de neus op de nieuwe werkwijzen gedrukt, waarbij te vaak wordt geopteerd voor het internaliseren van een hele reeks diensten voor de werknemers. Met als gevolg dat zij de hele dag binnen op hun werkplek blijven. Onze uitdaging bestaat er dus in om een mentaliteitsswitch aan te durven met een vernieuwend dienstenaanbod dat de dienstverlening in de kantoorgebouwen zelf overstijgt.

In de Europese wijk bijvoorbeeld zien we hoe in tien jaar tijd de typologie van de woningen geëvolueerd is van een studio naar een gezinsflat met twee kamers. Dit resulteerde vervolgens in winkels die ook ’s avonds en in het weekend open zijn. Het is een positieve spiraal die ook in de NW mogelijk is met de bouw van woningen op de hoofdassen.

DL: Een van de eerste hypotheses die we hebben geformuleerd binnen Lab North is de evolutie van enerzijds 100 procent monogebruikers in de kantoorgebouwen naar 30 procent multigebruikers die de diensten die worden aangeboden op de begane grond zouden delen. Het zou in elk geval om een geleidelijke omschakeling gaan die zich na verloop van tijd uitbreidt.

PP: De voorwaarde om dit project te doen slagen, lijkt me dat er veeleer moet worden gewerkt met wat voorhanden is, dan de wereld te willen heruitvinden. En dit zowel op ruimtelijk, sociaal als economisch vlak. We zullen erin slagen om de identiteit van de wijk te versterken wanneer we in onze aanpak deze drie dimensies weten te integreren: de sociale dimensie – de gebruikers, hun expertise en behoeften; het ruimtelijke – waarover beschikken we en hoe kunnen we de boel omgooien; en het economische – waar bevindt zich het kapitaal en hoe kunnen er alternatieve financieringswijzen worden ontwikkeld.

CaféNorth. © Caro Baens

CaféNorth. © Caro Baens

A+: Hoe zien jullie het vervolg van jullie onderneming? Een samenwerking met IABR 2018-2020 ?

SL: Er zal inderdaad worden samengewerkt, via het agentschap AWB dat deze editie cureert. Er zullen workshops van stedelijkheid worden georganiseerd in de Noordwijk en de plannen zijn er om een groot cultureel evenement te organiseren in de NW met alle culturele actoren.

DL: Ik denk dat de zomer van 2018 het kantelmoment zal zijn om rond de tafel te gaan zitten en het met meerdere doelgroepen over onze initiatieven te hebben. Dat wordt de gelegenheid om de actoren van het stedenbouwbeleid aan het woord te laten en te vernemen welke pistes en stedenbouwkundige hulpmiddelen zij kunnen aanreiken met respect voor wat onze inspanningen aan conclusies hebben opgeleverd. We kunnen eveneens een stand van zaken opmaken met de gebruikers van de tijdelijk verhuurde panden, en bekijken welke zaken verbeterd kunnen worden binnen deze nieuwe typologie. Tot slot zou het interessant zijn om in dialoog te gaan met de architecten over het ontwerp van flexibele, evolutieve gebouwen. Kortom, binnen een dermate rijke en gediversifieerde context als Lab North, kan het niet anders dan dat er resultaten worden geboekt en dat deze zoveel als mogelijk worden gedeeld.

 

schrijf je in voor de nieuwsbrief