Een Pritzker in Gent

gepubliceerd op 19.06.2017 | tekst Christophe Van Gerrewey
© Paul Hermans

© Paul Hermans

Over de Krook, de nieuwe Gentse stadsbibliotheek, is veel gesproken maar er is nauwelijks iets over gezegd. Het gebouw wordt een ‘landmark’ genoemd, een ‘echte ontmoetingsplaats’, ‘een balkon op Gent’, een ‘verbindingsplek’ en (volgens de cultuurschepen) ‘een wauw-effect’ dat ‘de stad teruggeeft aan de bewoners’. Ook in A+265 heeft Bart Tritsmans beaat de goede bedoelingen van de architecten naverteld, zonder er blijk van te geven hoe deze intenties in hun tegendeel omslaan.

De Krook, ontworpen door Coussée & Goris Architecten en RCR Aranda Pigem Vilalta Arquitectes, is vaak irrationeel en opdringerig, als een verzameling vormelijke ingrepen en weinig functionele incidenten. In alles lijkt deze architectuur zich te verontschuldigen voor haar aanwezigheid, maar het resultaat is dat ze niet anders kan dan zowel deze plek als de activiteiten op een vervelende manier domineren. Het exterieur is donker, zwaar en mysterieus. Zo lijkt het onverklaarbaar waarom alle glasgevels ingesnoerd zitten in een oneindig aantal evenwijdige, dunne profielen. De Krook is een schoendoos, een eenvoudig volume dat jammer genoeg te simpel werd bevonden, en dat de architecten hebben proberen verbijzonderen.

In een projecttekst uit 2010 was er sprake van ‘een boek waarvan de katernen zijn losgekomen’ – een onzalige metafoor, die helaas van toepassing blijft. De ‘verschuivingen’ en ‘kreuken’ hebben nut noch voordeel. Dat de bibliotheek ‘de loop van de Schelde’ volgt, zoals Tritsmans beweert, is onzin: dat doet het perceel vanzelf, en dat deden ook de wedstrijdontwerpen uit 2010 van bijvoorbeeld Stéphane Beel of Toyo Ito, in wiens projecten eveneens de zo geprezen maar onvermijdelijke ‘nieuwe verbindingen’ tussen de site en de rest van Gent aanwezig waren. Wat Tritsmans daarnaast bedoelt met een ‘versterking van het dynamische karakter van de horizontale stapeling’ is moeilijk toe te passen op een gebouw dat, zoals gebouwen van oudsher betaamt, onbeweeglijk blijft. Het absurde is dat al deze verschuivingen balkons kunnen genereren, maar dat niet doen: nergens is er buitenruimte voorzien, tenzij het plein aan de ingang aldus wordt geïnterpreteerd. Die publieke buitenruimte is, door de smalle draaideur en de opdeling van de inkomhal, echter niet met het interieur verbonden. Het plein wordt overschaduwd door een ‘indrukwekkende overkraging die de aandacht trekt’, aldus Tritsmans – en inderdaad de aandacht vestigt, aan de onderzijde, op een gigantisch vals plafond, en een weinig bezienswaardige constructie.

‘Bezoekers hebben uitzicht op de stad; voorbijgangers op de bedrijvigheid in de bibliotheek.’ Beide beweringen kloppen niet: buiten is er niets te zien van wat zich binnen afspeelt, en de zichten vanuit de interieurs worden belemmerd en vaak letterlijk doorstreept door het alomtegenwoordige bruine staal. Bovendien zijn de binnenruimtes zo ingericht en gestructureerd dat je met de neus tegen de raampartijen moet gaan staan om naar buiten te kijken – of althans naar de uitkragingen, de plateaus, de profielen, de spinnenwebben tussen het staal, en de duizenden pinnen tegen duiven en andere vogels. Nochtans zijn de boekenkasten laag, wat het rare effect heeft dat niet zozeer doorzichten ontstaan, maar botsingen met de architectuur – altijd en overal de manifestatiedrang van deze architectuur, die voortdurend de bezoeker of de lezer op de een of andere manier ter wille wil zijn, waardoor basisfuncties zoals daglicht erbij inschieten. Een trap is in de Krook geen trap maar een plek met platformen die ‘uitnodigen om te zitten lezen, samen te praten of te spelen’ – activiteiten die elkaar uitsluiten. Tafeltjes om computers te consulteren zitten krap tegen de trapopeningen aangeschoven, wat nogmaals elk doorzicht belemmert, hoewel ‘binnen het ruimtegevoel overheerst’, volgens Tritsmans. Ruimtes worden niet gedefinieerd in deze bibliotheek – ze worden schimmig gesuggereerd, overmatig geaccentueerd, en halfslachtig begrensd en doorbroken. Een uitzondering vormt de kelder, waarin de jeugdbibliotheek is gevestigd: een restruimte, maar ook een leeskamer waarin voor de verandering de architectuur rustgevend afwezig blijft.

Elders is de ambiance die van een bescheiden winkelcentrum uit de jaren zeventig, vooral dankzij de beige tapis plein en het donkerbruine kleurenpalet van het staal. Dat bouwmateriaal wordt niets minder dan een fetisj. Zoals te verwachten is dat gekaderd in een sentimenteel en populair verhaal over ambachtelijkheid, en over de lasser-arbeider die bevrijd van elke vorm van aliënatie, met de hand heeft bijgedragen tot de architectonische esthetiek, vermoedelijk met tranen in de ogen. De echte verklaring ligt eenvoudig bij de inbreng van RCR Aranda Pigem Vilalta Arquitectes, wiens oeuvre (in 2017 bekroond met de Pritzker Prize) gebaseerd is op staalgebruik – ze noemen niet toevalllig Richard Serra als grote inspiratiebron. Hoewel Coussée & Goris begrijpelijkerwijze het woord voeren over de Krook, is het een project dat de stempel van RCR draagt. Zoals huiscriticus en historicus William J.R. Curtis schreef, is hun voornaamste ‘constructiemedium’ ruw staal in alle mogelijke vormen. In de handen van RCR, aldus Curtis in Architectural Review, ‘wordt staal een modern industrieel materiaal dat toch het archaïsche suggereert’. Ook in het crematorium in Holsbeek dat Coussée & Goris samen met RCR realiseerden, wordt dat zichtbaar. Het geeft aan wat beide bureaus gemeenschappelijk hebben: ze bouwden voornamelijk in natuurlijke, landschappelijke omgevingen, en hun projecten hebben een ruraal en zelfs pastoraal karakter, met een vanzelfsprekende onschuld – vakantiedomein de Boerekreek van Coussée & Goris of kinderdagverblijf El Petit Comte van RCR zijn succesvolle voorbeelden.

Voor een stadsbibliotheek op een centrale plek als in Gent is echter meer vereist dan een poëtische of sublieme interventie in de ongerepte natuur. Zowel het complexe programma als de strategische locatie zijn niet gebaat met ‘een op maat gemaakte jas waarvan de functies kunnen wijzigen’, zoals Coussée & Goris het bij monde van Tritsmans omschrijven. Hoeveel functies kan je trouwens aan een jas toekennen? Het zal zeker zo zijn dat de Krook functioneert – de Gentenaars hebben decennialang een afgeschreven kantoorgebouw als bibliotheek weten te gebruiken. Een enthousiasmerend, intelligent of zelfs confronterend gebouw – innovatief of conservatief – bleek echter te veel gevraagd. Nu is de Krook vooral een bruine stalen sculptuur van een Pritzkerwinnaar.

schrijf je in voor de nieuwsbrief