Edito A+268

gepubliceerd op 20.11.2017 | tekst Lisa De Visscher, Cécile Vandernoot

 

 cover-nl

In een recent interview [1] stelt Willem Jan Neutelings “de integratie van kunst maakt dat mensen sneller een relatie kunnen aangaan met het gebouw. In een glazen toren heb je dat niet. Met een witte muur kan je geen relatie ontwikkelen. Die zegt: ik ben er niet. Dat geeft een unheimlich gevoel.”

De integratie van kunst – of elke vorm van decoratie – in architcetuur is niets nieuws.  Mensen hebben ongetwijfeld altijd al hun woning, paleis, kerken, of ontmoetingsplaatsen opgesmukt om ze een menselijker gelaat en een bijzonder cachet te geven. Kunst is veel meer dan een manier om een gebouw op z’n voordeligst te laten uitkomen: kunst maakt af, overstijgt de architectuur. Dat het woord kunst moeilijk te definiëren is, speelt ook hier een rol. De term kende zijn oorsprong in het Westen tijdens de renaissance. Aanvankelijk hadden de Grieken het over tekhne, wat kunst betekent, maar ook ambacht. De Romeinen spraken van ars, wat ook het werk, de ambacht, de gilden impliceert. Die relatie tussen kunst en architectuur blijft van fundamenteel belang.

Het is alvast een onderwerp dat regelmatig terugkeert op onze redactie: het werd al behandeld in A+133 (1995) en A+195 (2005) en ook vandaag ligt het opnieuw op tafel. De actualisering van het decreet met betrekking tot de integratie van kunstwerken bij renovatiewerken in de twee Gemeenschappen was een interessante gelegenheid om het thema opnieuw uit te spitten. De meeste rubrieken – In the picture, Zoom out, Fundamenten, Guests – van dit nummer zijn gewijd aan het thema Dis-play en belichten de diversiteit van allerlei vormen van kunst in opdracht en de politieke, maatschappelijke en culturele aspecten die deze initiatieven met zich meebrengen.

A+ vroeg aan Louis De Mey om een stand van zaken op te maken van de manieren waarop in Brussel, Vlaanderen en Wallonië kunst wordt geïntegreerd in de openbare ruimte of in openbare gebouwen. Hij komt tot de conclusie dat kunst in een gebouw de bezoekers of gebruikers kan aanzetten tot reflectie en discussie over alledaagse en maatschappelijke thema’s. Dit doet evenwel niets af aan het dwingende karakter van de decreten, de complexiteit van de procedures, de financiële barrière voor de bouwheer, de vraag of de integratie wel interessant is in het licht van sommige programma’s, het belang van een regelmatig onderhoud, of de gewenste impact van een kunstwerk, dat soms tegen wil en dank een delicate rol krijgt toebedeeld: die van bemiddelaar, of zelfs zendeling voor het hogere doel van de Kunst.

Interventies in situ kunnen een dagelijkse omgeving drastisch veranderen, maar vormen ook een uitdaging in de openbare ruimte. Naar aanleiding daarvan nodigen we drie kunstenaars van verschillende generaties, die kunstintegratie in de vingers hebben uit voor een gesprek: Valérie Mannaerts, Richard Venlet en Jean Glibert, wiens werk, dat al sinds vijftig jaar deel uitmaakt van de openbare ruimte en de architectuur, momenteel wordt tentoongesteld in het Paleis voor Schone Kunsten. Niet alle kunstenaars maken graag kunst in opdracht, en niet alle architecten zijn er fan van. Geen artistieke samenwerking bijvoorbeeld bij RCR (Pritzker 2017), met wie we een gesprek hadden (Zoom in) in het kader van de lezing van Carme Pigem in Bozar. Is dit kenmerkend? We kunnen het haar binnenkort vragen.

A+ gaf carte blanche aan kunst- en architectuurcriticus Raymond Balau, die een artikel schreef over de stedelijke ruimte en het anachronisme van de beeldregistratie. Tot slot komen in een selectie van vier grote projecten een aantal nieuwe mogelijkheden aan bod. Vier projecten die aandringen op de aanpassing van het wetgevende kader en meer soepelheid in de stimulering van vernieuwende manieren om met kunst om te gaan. Zo juichen we het lef toe van Neutelings Riedijk, dat erin slaagde kunst te integreren in de nieuwe kantoorgebouwen van het Vlaams Administratief Centrum in Brussel, hoewel dit aanvankelijk buiten de opdracht lag. Of de – letterlijk geïntegreerde – beeldende en architecturale interventie van Simon Boudvin voor het Volkskundemuseum in Moeskroen van V+. Ook de kunst in opdracht als participatief project in het Gentse Tondelier-project, geeft een volledige nieuwe impuls net als de evolutie van de verschillende curatoren die vorm gaven aan de gigantische ondergrondse kunstgalerij die de Brusselse metro heet. Stuk voor stuk voorbeelden die aantonen dat de openbare ruimte een terrein blijft waar plaats moet zijn voor ideeën waaraan men betekenis kan geven en waarvoor we zo nodig te velde moeten trekken.


[1] BRUZZ van 20/09/2017, p.14, interview met Willem Jan Neutelings door Laurent Vermeersch

A+268 Dis-play
€12,50
 | bestel nu uw exemplaar of abonneer u op het tijdschrift vanaf €49 / jaar!

 

 

schrijf je in voor de nieuwsbrief