Edito A+266

gepubliceerd op 10.07.2017 | tekst Pieter T'Jonck

cover_NL
De Amerikaanse socioloog Richard Florida beschrijft in zijn boek ‘The Rise of the Creative Class’ (2002) de opkomst van een nieuwe sociale klasse van hoogopgeleide kenniswerkers. In het zog van de oprukkende digitalisering creëerde die uit het niets een markt van nieuwe diensten, zonder dat daar al vraag naar was. Geen kat zat twintig jaar geleden te wachten op een programma dat je onophoudelijk berichten en foto’s van vrienden stuurt in ruil voor informatie over je doen en laten. Ondertussen is de wereld verslaafd aan Facebook. Het is maar één voorbeeld van de manier waarop digitale media alles overhoop haalden. Hoe we wonen, informatie verzamelen, inkopen, werken: niets is wat het was.

De voordelen zijn enorm. Alles gaat sneller en vlotter. Je werkt en communiceert binnen netwerken met anderen waar en wanneer je wilt. ‘New ways of working’ (NWOW) heet dat. Geestdodend werk en starre hiërarchie zijn naar het verleden verwezen. Maar stilaan ontdekken we ook nadelen. Echt belangrijke dingen verneem je zelden op Facebook of Twitter. Efficiëntiewinsten zijn relatief als je elke dag uren verliest op timelines of aan spam. En niet iedereen wint bij ‘new ways of working’. Typistes hebben afgedaan. Kleine zelfstandige netwerkers werken steeds vaker aan dumpingprijzen, nu ze concurreren op een wereldmarkt zonder een overheid die dat beregelt. Al brengen ‘new ways of working’ meer werkplezier, het levert niet per se een hoger loon of meer gelijkheid op.

Florida spreekt zelden over die keerzijde. Hij heeft het vooral over de impact van de ‘creative class’ op steden. De paradox is immers dat zij voorop liepen in de omslag naar een steeds virtuelere werk- en sociale sfeer, maar toch smachten naar fysieke ‘hotspots’ voor de ‘happy few’ waar ‘het’ gebeurt: de steden met de juiste mix van cultuur, ontspanning en diensten. De rest mag wegkwijnen als reservaat voor ‘achterblijvers’. Gentrificatie van steden hangt zo nauw samen met de opkomst van de ‘creative class’ maar holt de diversiteit van die steden uit. Terwijl het net die veelzijdigheid was die bijvoorbeeld Amsterdam, Parijs of Londen zo aantrekkelijk maakte. De ‘creative class’ verknoeit plaatsen van oude sociabiliteit, onder meer door cafés in te palmen met hun laptops. Waarom zitten ze niet op kantoor?

Je herkent vast dat ‘arty’ sfeertje dat, ook volgens Florida, rond de ‘creative class’ hangt. Hun werk is geen kunst, maar ze presenteren het kunstig en ze omringen zich ook graag met kunst en design. Ze doen zich voor als bohémiens, ook al verdienen sommigen geld als slijk. Want ze blijven wel ondernemers: ze zijn uit zijn op winst, zelfs als hun diensten de bestaande economie ontwrichten. Dat artistiekerige is minder vreemd dan het lijkt. De geestelijke vaders van de ‘creative class’ groeiden op in de jaren 1960. Kunstenaars als Joseph Beuys of Andy Warhol proclameerden dat iedereen kunstenaar was, of zijn vijf minuten roem kon krijgen. Het idee dat we ons leven op unieke, individuele wijze vorm kunnen geven, drong sindsdien overal door, maar pas met de digitalisering kwam het echt binnen handbereik. Enig talent en veel branie volstaan nu om met een simpel programma muziek te maken die je van Wondelgem naar wereldpodia katapulteert. Zelfs zonder artistiek talent kom je met een hippe ‘lifestyle’ al een heel eind.

De opkomst van ‘new ways of working’ en de ‘creative class’ zette, zoals gezegd, onze wereld op zijn kop. ‘For better or for worse’. Ook de gebouwde omgeving veranderde ingrijpend mee. Niets is nog wat het lijkt of was. Woningen zijn niet langer een sociaal ankerpunt, een ‘adres’. Gezellig samen televisie kijken, het fantasme van de naoorlogse woningbouw, is slechts een vage herinnering. Wat doen we er binnenkort dan nog? Werken misschien? Niets belet ons dat te doen, behalve het  feit dat die gezellige huizen daar niet op bedacht zijn, en dat het er best eenzaam kan zijn. Cafés en ‘coworking spaces’ zijn dan een alternatief. En als er toch op kantoor gewerkt moet worden, dan liefst een dat even hip ingericht is als een café of een loft. Kleiner zijn ze alvast wel, nu bedrijven en overheden door de ‘new ways of working’ steeds minder ruimte behoeven. Daar profiteren kunstenaars dan weer van: voor een prikje palmen ze leegstaande kantoren in. Je kunt er dus gif op innemen dat kantoren de chique lofts van morgen zijn. De Antwerp Tower is een voorteken. Maar hoe dan ook: klassieke architecturale en stedenbouwkundige typologieën vervagen zienderogen. Het kantoor lijkt op een café, een café op een woning, en een woning op een kantoor. Of lijkt het nergens meer op? Is dit alleen maar ‘disarray’, complete verwarring? U ontdekt het hier.

 

A+266 Dis-array
€12,50
 | bestel nu uw exemplaar of abonneer u op het tijdschrift vanaf €49 / jaar!

schrijf je in voor de nieuwsbrief