Edito A+261

gepubliceerd op 04.10.2016 | tekst Pieter T’Jonck

A+261_NL

Het idee voor dit nummer borrelde op in de zomer van 2015, tijdens een discussie over gevangenisarchitectuur. Het geplande ‘gevangenisdorp’ in Haren, beweerde architect en filosoof Gideon Boie (BAVO), verkocht knollen voor citroenen: het zou de gevangenen op een humanere manier behandelen, maar in werkelijkheid was het een voortzetting van het ontmenselijkende 19de-eeuwse regime dat het Belgische gevangeniswezen een kwalijke reputatie gaf. Niemand zag op dat moment al de stakingen aankomen die de wantoestanden in onze gevangenissen voor de hele wereld zichtbaar zouden maken.

Voor Boie was de gevangenis in Haren maar één voorbeeld van het feit dat architectuur vaak willens nillens politieke keuzes maakt, of minstens faciliteert. In Haren camoufleert een verzorgde vormgeving het gebrek aan beleidsvernieuwing. Net daar zat de knoop, ging hij verder. Het discours over architecturale kwaliteit is al te vaak een excuus om het niet over de politieke effecten of horigheid van architectuur te hebben.

Tja, Politiek. ‘Politiek, politiek, ik ben er niet, ik ken ze niet. Ik kijk niet en ik zeg niets’, zong Bram Vermeulen lang geleden al. Nog steeds is politiek onder architecten inderdaad de spreekwoordelijke hete aardappel die men zo snel mogelijk wil doorschuiven. We hebben het liever over ‘firmitas, utilitas en venustas’ als onaantastbare, autonome waarden. Zo laten we in het midden waarom een gebouw dan wel de eeuwen moet trotseren, wie er werkelijk door gediend wordt of welke zaak zoveel luister verdient.

Daarom stelde ik Gideon Boie in 2015 voor om als ‘guest editor’ mee te werken aan een nummer van A+ dat de vraag naar het politieke binnen de architectuur zou uitspitten. Hij hield ons op koers toen die vraag al meteen bijna onoverzichtelijk breed uitwaaierde. Het kan immers gaan over de impliciete politieke keuzes van bouwende overheden. Of over de maatschappelijke gevolgen van stedelijke gentrificatie. De anonieme disciplinering die zelfs in schijnbaar vanzelfsprekende organisaties aan het werk is, is net zo goed een politieke kwestie. Hoe je een psychiatrische instelling inricht, is bijvoorbeeld niet zo’n waardenvrije zaak als het lijkt. Maar om dat te begrijpen moet je wel een blik achter de façade werpen. Je moet willen weten wat patiënten daar soms doorstaan.

Die kwesties zijn niet nieuw, maar ze worden zelden geëxpliciteerd. De politieke ‘agency’ van architectuur blijkt ook zelden zonneklaar. Ze valt altijd ergens tussen de plooien van het leven, vooral omdat gebouwen een schijnbaar vanzelfsprekend, zelden bewust ervaren context voor het leven vormen. Als architect verkeer je ook niet zo snel in de positie om je bouwheer een of andere ideologische bolwassing te geven. Architecten hebben immers opdrachtgevers nodig, want bouwen kost helaas geld. Lieven Decauter merkt op dat architectuur met een grote A haast altijd architectuur voor de spreekwoordelijke 1 procent is. Sociaal geëngageerde architectuur ziet er daarentegen vaak uit als pallettenarchitectuur. Toch werpen veel architecten zich, misschien omwille van de recente crisis, op als echte activisten bij zulke bescheiden opdrachten.

Dat is echter niet het enige alternatief voor wie liever niet werkt voor de 1 procent. De voormalige Vlaams Bouwmeester, Peter Swinnen, vindt alvast dat architecten best wel wat meer, en ongevraagd, hun stem mogen laten horen. Het is gewoon hun verdomde plicht om de overheid met vernieuwende voorstellen te bestoken. Ook al loopt dat soms niet goed af. Ook Wim Cuyvers gelooft niet in een architectuur van de macht, maar heeft evengoed een afkeer van ‘alternatieve’ architectuur. In beide gevallen ziet hij een ideaal doorschemeren. Van welke snit ook, elk ideaal ontkent volgens hem wat werkelijk telt: de puur existentiële ruimte van het lijf zelf.

Architecten kunnen ook door hun houding tegenover gebruikers een belangrijke politieke rol spelen. Gideon Boie heeft het zo over een project voor een psychiatrisch ziekenhuis waarin de gebruiker niet langer passief de architectuur moest ondergaan, maar medeauteur werd van het project. Francis Strauven, ten slotte, peilt in een lang interview naar de inzichten van Herman Hertzberger, een architect die de gebruiker in zijn ontwerpen steeds weer een grote rol toebedeelde. 

Eén ding leerde dit nummer alvast: het laatste woord over dit thema is nog lang niet gezegd. Maar mocht dat het geval geweest zijn, dan spraken we natuurlijk ook niet langer over politiek.

 

- Pieter T’Jonck -

schrijf je in voor de nieuwsbrief