Edito A+252

gepubliceerd op 16.02.2015 | tekst Christian Kieckens

 NL252_COVER_652x850px

In 1861 publiceerde de Duitse architect Gottfried Semper (1803-1879) het boek ‘Der Stil in den Technischen und Tektonischen Künsten oder Praktische Ästhetik’. Semper, bekend om zijn ideeën over de Ring-straße in Wenen – nu net 150 jaar geleden geopend door keizer Franz Jozef –, had en heeft nog steeds via zijn geschriften een belangrijke invloed op het architectuuronderwijs. Een minder bekend werk van hem is het Semperdepot uit 1874, ontworpen als stapelplaats voor decorstukken van het k.k. Hoftheater te Wenen. Gebouwd op een driehoekig terrein bestaat het voornamelijk uit een galerijsysteem in filigraanstructuur met kolommen van zes meter hoogte – een pragmatische ruimte waarin bouwkundige structuur en ruimtelijkheid een eenheid vormen. Sempers gedachtegoed werd gewaardeerd door Adolf Loos die voor zijn Looshaus te Wenen de perceptie van constructie een andere rol toedraagt. De cipollino-marmeren kolommen op het gelijkvloers vertellen, doordat het marmer niet in draagkrachtige richting is geplaatst, dat ze geen dragende functie hebben, maar wel een geschiedkundig referentiemodel zijn. Het is tevens de constructieve horizontale geleding van de gevel naar Amerikaans model en de technische ‘kundigheid’ die Loos gebruikt als interpretatie van beeld en ervaring en het ‘lezen’ van architectuur. Een gevel met beeldverwarring en constructieve afwezigheid, maar hierdoor dubbel gelaagd.

Nieuwe constructies en technische vaardigheden gingen steeds gepaard met de ontwikkelingen van materialen, en de mogelijkheden van de tijd. Computersimulaties en 3D-modellen maken vandaag nieuwe uitdrukkingen en dus een andere architectuurtaal mogelijk. Het oeuvre van Zaha Hadid, de technische concepten van ingenieur Hanif Kara, en de zoektocht naar een gewijzigde manier van technisch denken (‘parametricisme’), toonden een andere architectuurervaring als uitvoerbaar.

Het is echter van de periode vanaf de Wereldtentoonstelling 1958 in Brussel dat de rol van de ingenieur in de architectuur aan belang is beginnen te winnen. En sinds het moment dat Rem Koolhaas de Vierendeel-ligger opnieuw in de actualiteit bracht, is die belangstelling steeds meer toegenomen, echter niet altijd op correcte wijze toegepast. België bekleedt voor vele buitenlandse ontwerpers een benijdenswaardige positie. René Greisch was één van de pioniers die de gebouwen van Charles Vandenhove voorzag van een ingenieuze ruimtelijkheid. Sindsdien heeft zich een aantal ingenieursbureaus gevestigd dat sterk mee bepaalt wat ‘goede architectuur’ is. Het discussiemodel van architect en ingenieur samen als ontwerpers maakt dat deze ‘architecturen’ – bouwkundigheid en bouwkunst – aan elkaar geschakeld kunnen worden, om esthetiek en pragmatiek te verankeren in één ruimte.

Op dit moment komen er op internationaal gebied een rijkdom aan interpretaties ter sprake, gaande van de realiseerbare ‘bouwbaarheid’ tot computergegenereerde structuurmanipulaties (‘over-meetkundigheid’). Maar architectuur bezit haar eigen wetmatigheden, kan niet zonder de concreetheid der dingen. Daarenboven kan ruimte niet zonder licht en schaduw. “Niets is toegevoegd”, was een uitspraak van Francesco Borromini waarmee hij zijn ruimtelijke systematiek uitlegde. Het is een stelling die nog steeds geldt voor goede architectuur. Het moment is gekomen om ons te verdiepen in wat Jürg Conzett bestempelde als ‘Structuur als Ruimte’.

schrijf je in voor de nieuwsbrief