De architectuur in crisistijd in crisis

gepubliceerd op 18.02.2013 | tekst Pieter T'Jonck

Het woord crisis is aan de orde van de dag. Het economische bouwwerk van de EU wankelt en de conjunctuurgevoelige bouwsector voelt daar de gevolgen van. Architecten, die voorop lopen in het bouwproces, nog veel meer. Welke bedreiging houdt dat op de lange duur in voor de architectuur ? Blijft de oude definitie van ‘vrij beroep’ standhouden of is de toekomst aan grote vennootschappen die als gewone marktpartij opereren ? Is dat leefbaar met de huidige kostenstructuur en taken van een architectenkantoor ? Zijn er ook andere factoren die de positie van het architectuurbedrijf in België aantasten ? Hoe staan we ervoor in vergelijking met andere (West-)Europese landen ?

Ongelijke lasten : Duitsland en de Club Med
De lasten van de economische crisis in Europa zijn ongelijk verdeeld. Er is immers geen onderlinge steun tussen lidstaten zoals in de VS. Het Duitse architectuurtijdschrift ‘Detail’ meldde zo in 2011 nog verheugd dat Duitse architecten weinig hinder ondervonden van de crisis. Er is wel enige onrust, maar in grote lijnen blijft het er wel ‘business as usual’. De reden ligt voor de hand : de Duitse economie verkeert nog steeds in blakende gezondheid, al beweren kwatongen dat het land zijn problemen deels exporteert en zijn economisch succes ontleent aan een liberalisering van de arbeidsmarkt die een deel van de bevolking verpaupert (‘L’ Europe face à l’ hégémonie allemande’, Le monde diplomatique, december 2012). Maar daar vallen architecten voorlopig niet onder.
Dat is helemaal anders in Zuid-Europa. In wat smalend de ‘Club Med’-landen genoemd wordt (Portugal, Spanje, Italië en Griekenland, deels ook Frankrijk) is de bouwindustrie zowat stilgevallen. Architecten hebben nagenoeg geen werk meer en emigreren of zoeken een andere job. Dat is bijzonder tragisch in het geval van een land als Spanje. Na de val van het Franco-regime kende het land een enorme economische opbloei, met een spectaculaire ontwikkeling van de architectuurcultuur als gevolg. Deze ‘crash’ was echter voorspelbaar. De economie van het land drijft voor een belangrijk deel op toerisme. De bouwindustrie ontwikkelde zich in het zog daarvan. Tot 2008 leidde dat tot ongebreidelde bouwspeculatie. (Op een bepaald ogenblik bouwde men per jaar meer woningen in Spanje dan in de VS !) Die industrie bleek een reus op lemen voeten : bij de eerste economische jobstijdingen haakten investeerders massaal af. Er was geen andere industrie die economisch het voortouw kon nemen. Door een dalende nataliteit en snelle vergrijzing, nog versterkt door toenemende emigratie van jongeren, stortte ook de binnenlandse vraag compleet in. Het einde is niet in zicht, want voorspeld wordt dat het land zal blijven ontvolken, tot er in 2060 maar een goede 35 miljoen inwoners overblijven, tegenover 47 miljoen nu. Het is niet verwonderlijk dat de staat er dan niet in slaagt de nodige impulsen te geven voor een relance, en zelfs gedwongen is tot bikkelharde bezuinigingen. Die verergeren de problemen echter nog meer. Voor Portugal, Italië en Griekenland geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Ook Nederland in zak en as
Het verhaal van de ‘Club Med’ is dat van een ‘perfect storm’ : alles gaat tegelijk fout en de problemen versterken elkaar. Maar ook in landen die het minder slecht doen, kapseist de bouw- en de architectuurwereld. In het VK vallen al zware klappen, maar vooral in Nederland is de situatie ronduit dramatisch. De bouw is er quasi stilgevallen. Het aantal bouwvergunningen in 2012 was met 56 000 het laagst sinds 1953. De kantorenmarkt en de utiliteitsbouw zijn er nog slechter aan toe. Enkel in ‘gemengde’ en zorgprojecten schijnt er enige groei te zitten. Het gevolg laat zich sterk voelen onder de Nederlandse architectenbureaus : de omzet en de tewerkstelling kelderden sinds 2008 met zowat de helft, zodat zelfs grote en gereputeerde kantoren tegen sluiting en faillissementen aankijken.
De oorzaak is ook hier een ‘perfect storm’, zij het van een andere aard. Nederland heeft een nog steeds groeiende bevolking en net als Duitsland een fundamenteel sterke economie. De woningmarkt was echter zo overgewaardeerd dat er een ‘zeepbel’ ontstond. Dat kwam doordat de vraag vooral in de Randstad nog steeds hoger is dan het aanbod, terwijl lenen lange tijd geen probleem was door historisch lage interestvoeten en een erg gulle fiscale behandeling van hypotheeklasten. Dat laatste staat nu op de helling, terwijl ook lenen moeilijk geworden is omdat banken het geld gebruiken om zelf aan te sterken. Zo gingen verkoopprijzen van woningen in vrije val. Dat tast ook de markt van nieuwe koopwoningen aan. Om een nieuwe woonst te financieren verkopen mensen doorgaans hun bestaande huis, maar dat lukt nu niet meer aan de verhoopte prijs. Ze blijven dus zitten. ‘Starters’ hebben dan weer moeite om leningen te bekomen, zodat er aan de onderkant van de markt helemaal geen beweging meer is. Zo valt het hele systeem stil.
Even erg is het gesteld op de belangrijke huurmarkt. De grote woningcorporaties zitten in nauwe schoentjes. Enerzijds kampen ze met een patrimonium van vaak lage kwaliteit. Anderzijds worden ze zwaar getroffen door een nieuwe ‘verhuurdersheffing’. De regering Rutte II wil dat ze die doorrekenen aan huurders. Dat blijkt echter moeilijk of niet te lukken omdat de maximumhuur al bereikt is. Daarbovenop kwamen een paar forse schandalen : beleggingen in twijfelachtige derivaten en in te dure en risicovolle projecten haalden de financiële stabiliteit van veel woningcorporaties onderuit. Zo viel ook de sociale woningbouwmarkt stil. De enige markt waar er voor architecten nog wel werk is, is de renovatiemarkt. De grote Nederlandse architectenbureaus zijn daarop echter niet afgestemd door hun omvang en door hun gerichtheid op ontwerp eerder dan op uitvoering. Net dat is natuurlijk in de renovatie belangrijk. Enkele kleinere bureaus kennen zo echter net wel een grote groei.
Het instorten van de Nederlandse woningmarkt is dus een gevolg van een overwaardering enerzijds, en een te restrictief beleid van zowel banken als overheid anderzijds. De gevolgen zijn catastrofaal. De teloorgang van de grote Nederlandse bureaus leidt niet enkel tot het verlies van financieel kapitaal, maar bovenal tot de vernietiging van een kapitaal aan knowhow en organisatiecultuur. Grote machines als deze topbureaus bouw je niet van de ene op de andere dag terug op. Stof tot nadenken, ook voor landen die, zoals België, de dodendans voorlopig ontspringen. In de afgelopen decennia bleek immers dat de conjunctuur steeds vervaarlijker schommelt. Met een langdurige crisis in het vooruitzicht betekent dat dat het architectuurbedrijf in de hele Eurozone een nieuw model moet ontwikkelen om met zo’n economische ‘moodswings’ om te gaan zonder telkens opnieuw van nul te beginnen.

Het Belgisch model : de architect als (arme) netwerker
Op dat punt valt er wel wat te leren van het Belgisch model. Daarin bewaakt de architect niet alleen de belangen van zijn klant, maar ook het publieke belang inzake stedenbouw en de veiligheid en stabiliteit van gebouwen. De individuele architect stuurt daarom het hele bouwproces aan, vanaf ontwerp en bouwaanvraag tot en met de technische uitvoering. In Nederland is dat bijvoorbeeld niet zo : daar is het ontwerp auteursrechtelijk beter beschermd dan in België, maar heeft de ontwerper weinig in de pap te brokken bij de concrete uitvoering ervan. Mede door een vaak eerder kleine schaal van opdrachten ontstond zo een landschap van veel relatief kleine bureaus rond één persoon of enkele personen. Medewerkers draaien er vaak tijdens en na hun stage op zelfstandige basis mee vooraleer zelf een bureau op te starten. Ook bij meer complexe en grotere bouwopdrachten kan dat systeem, waarin essentiële kennis bij een kleine kern vaste medewerkers rust, functioneren door op een slimme manier te ‘netwerken’ met andere bureaus die aanvullende kennis in huis hebben. In België is ‘outsourcing’ en ‘netwerken’ al heel lang aan de orde van de dag. Het model blijkt ook bij regelgeving en technische voorwaarden met een toenemende complexiteit redelijk stand te houden.
Een voordeel van dit model is de extreme flexibiliteit. Bureaus kunnen snel groeien en krimpen zonder zware personeelskosten of een groot verlies aan intellectueel kapitaal. Constellaties van bureaus kunnen eenvoudig en snel opgezet worden om meer slagkracht te ontwikkelen. De nadelen zijn echter ook legio. De positie van de architect als spil in het bouwproces houdt een absurd zware persoonlijke verantwoordelijkheid in. De mogelijkheid om architectuur binnen een vennootschapsvorm te bedrijven tempert die nu alvast. Een ander, sociaal nadeel, blijft echter : beginnende architecten werken doorgaans als zelfstandig medewerker. Ze verdienen zo het zout in de pap niet en genieten weinig sociale bescherming. Een recente studie toonde aan dat het gemiddelde inkomen van een beginnend architect rond de 1850 euro ligt, minder dan een interieurarchitect, een sociaal assistent (ca. 2100), een verpleegster (ca. 2300) en veel minder dan juristen (ca. 2500) of werknemers in de farmacologie (ca. 3400). Anders gezegd : zware en dure studies renderen in het geval van architectuur helemaal niet.
Algemeen blijken architecten slechte verdieners te zijn. Dat is niet alleen in België zo. Hoe dat te verklaren ? Zijn architecten gesjeesde zaakvoerders ? Of zijn de erelonen te laag in verhouding tot de prestaties die architecten (moeten) leveren ? Het tweede lijkt het geval. Het fenomeen is immers te wijdverspreid om toeval te zijn. Architectuur is zo in België hoe dan ook een ‘noodlijdende’ sector. De crisis is endemisch, en wordt enkel verscherpt door de algemene economische crisis.

Goede cijfers voor België
Gelukkig heeft de bouw- en architectuurwereld in België vooralsnog genoeg omhanden. Daarin volgen we Duitsland. Toen internationale beoordelaars opperden dat de Belgische vastgoedmarkt overgewaardeerd is (het Nederlandse rampscenario) bleek dat ook al snel een kwakkel. Toch heerst er geen optimisme. Een recente bevraging onder architecten door NAV leert dat velen onder hen in de woningbouwsector een terugval zien bij de nieuwbouw, maar wel vertrouwen blijven hebben in de renovatiemarkt. Opmerkelijk, en dat is een groot verschil met veel andere landen, is dat de overheid soelaas biedt door een sterke impuls in de sector van de sociale woningbouw. De overheid (vooral lokaal en gewestelijk) is ook een sterkhouder door investeringen in nieuwe zorgprojecten, scholenbouw en stadsvernieuwing. Een recente lichte daling van het aantal projecten in de Vlaamse Open Oproep lijkt eerder het gevolg van de gemeenteraadsverkiezingen dan van een investeringsstop bij lokale besturen. In private sectoren als kantoren en utiliteitsbouw komt de klad wel in de markt. Toch is er geen kaalslag bezig onder architectenbureaus. Integendeel : de Nationale Bank meldt bij de publicatie van de conjunctuurbarometer van december 2012 : “Na vrijwel stabiel te zijn gebleven in de voorgaande maand, is de conjunctuurbarometer van de Nationale Bank van België in december licht gestegen. In de bouwnijverheid nam het vertrouwen het sterkst toe, onder impuls van merkelijk positievere beoordelingen van de huidige en de toekomstige vraag.”
Ook het NAV-onderzoek eindigt met de opmerking dat er misschien wel werk genoeg is, maar dat het te weinig opbrengt : ”Meer dan de helft van de bevraagde architecten is niet tevreden over de rentabiliteit van zijn architectenpraktijk. Voornaamste redenen hiervoor zijn dat er te veel uren gewerkt moeten worden die niet doorrekenbaar zijn (55 %) en dat de architect een te laag ereloon ontvangt in functie van de opdracht (32,4 %).”

De echte crisis
Al kan men dus niet beweren dat de architectuurwereld veel averij opliep door de economische crisis, de lage rentabiliteit bewijst dat er toch iets grondig fout loopt. En wel op verschillende fronten tegelijk. De ‘klassieke’ bureaustructuur, met zijn tewerkstelling op zelfstandige basis, staat op dit ogenblik zwaar onder druk. Architectuur, bedreven in een vennootschapsvorm, wordt steeds meer als een ‘gewone’ economische activiteit gezien, en moet dus beantwoorden aan ‘gewone’ regelgeving. Dat betekent o.a. dat het fenomeen van ‘schijnzelfstandigen’ – medewerkers die wel een zelfstandig statuut hebben maar geen werkelijke beslissingsbevoegdheid – vroeg of laat zal aangepakt worden. Dat bedreigt de wankele financiële structuur, maar ook de flexibiliteit van veel bureaus, al zou het wel wantoestanden de wereld uit helpen.
Ook qua prijsvorming wordt architectuur al lang, onder druk van de EU, als een gewone marktpartij gezien. In een krimpende markt leidt dat tot dalende erelonen. Dat is hier, maar in Duitsland evengoed, volop aan de gang. Bedreigender is echter dat de opdracht van architecten sluipend verschuift van een ‘middelenverbintenis’ naar een ‘resultaatsverbintenis’. De eerste is typisch voor het ‘vrije beroep’ : een architect waarborgt dat hij alle middelen zal inzetten die hem ter beschikking staan om een opdracht naar behoren uit te voeren, maar garandeert geen tevredenheid of een omschreven resultaat. De overheid bouwt op dit ogenblik echter steeds meer projecten via PPS. In zo’n formule is de architect veelal, net als ingenieurs en andere ontwerpspecialisten, ondergeschikt aan de opdrachthouder, meestal een conglomeraat van een financier en een aannemer. Plots wordt hij zo wel geconfronteerd met resultaatsverbintenissen, soms met zware boeteclausules bij laattijdigheid, kostenoverschrijdingen, etc. Reden overigens waarom ook grotere bureaus in Vlaanderen bedankten voor het DBFM-scholenproject van de Vlaamse Overheid.
Ook binnen de gewone driehoek architect-opdrachtgever-aannemer wordt de architect verantwoordelijkheden toegeschoven die een resultaatsverbintenis impliceren. Wat als bijvoorbeeld een verhoopte EPB-score niet gehaald wordt, of er – erger nog – boetes betaald moeten worden ? Wie is daarvoor verantwoordelijk ? Ook de regelgeving rond veiligheidscoördinatie is zeer dwingend. Die nieuwe taken leiden niet alleen tot meer en onbetaalde inspanningen, maar ook tot een aantasting van de privileges van het vrije beroep. Tenslotte vergt de kennis die voor die nieuwe regelgeving vereist is steeds grotere structuren en/of de inzet van steeds meer raadgevers. Zo wordt het gezag en de plaats van de architect in het bouwproces uitgehold. Anderzijds vragen opdrachtgevers steeds vaker een totaalpakket, met inbegrip van EPB-verslaggeving, VC, technieken etc. Jonge architecten komen zo steeds moeilijker van de grond, en als het lukt is dat vaak ten koste van zeer zware risico’s en investeringen, zonder enige garantie op rendement. Eigenlijk duwen alle recente evoluties het beroep in de richting van grote organisaties die een klassiek bedrijfsmatig model volgen, terwijl het Nederlandse voorbeeld net bewijst hoe gevaarlijk dat net kan zijn – om nog niet te spreken over de vervlakking die ontstaat als zo’n grote spelers oligopoliegewijs de markt verdelen.

Een nieuwe invulling ?
De vraag is : waarom zou iemand hier nog architect willen zijn ? Puur economisch klopt het plaatje te vaak niet. Architecten lijken zelfs te lijden aan zelfexploitatie. Historisch hebben Belgische architecten uit hun kleine structuren sterke troeven gepuurd : organisatorische flexibiliteit, zin voor netwerken, diepgaande kennis van het bouwproces, hoge ontwerpkwaliteit. Stilaan lijkt dat echter niet meer houdbaar. Tegelijk zijn die troeven te belangrijk om op te geven. Ze vereisen echter een nieuw wetgevend kader om op een sociaal acceptabele manier overeind te kunnen blijven.
Deze troeven zijn niet typisch voor architecten. De situatie is vastgesteld en grondig geanalyseerd binnen het domein van de kunst en de ‘creative economy’. Daar ziet men gelijkaardige flexibele, op netwerken gebaseerde werkvormen. Ook daar is er vaak van zelfexploitatie sprake, ook daar gaapt een kloof tussen een brede laag kleine spelers en enkele topverdieners of ‘sterren’. Die analogie vloeit uiteraard voort uit de sterke band tussen de persoon van de ontwerper en zijn product. Architectuur is geen handelswaar als alle andere. De ‘core business’ van een architect bestaat erin om binnen de marges van een bestaande situatie de ‘speling’ te ontdekken om iets meer en anders te doen dan simpelweg functies te huisvesten. Dat vraagt een specifieke organisatie en inzet van de betrokkenen.
Hoe valt dat te rijmen valt met de nieuwe context ? Hoe krijgt de architectuur, als praktijk die een specifiek cultureel en maatschappelijk idee over de gebouwde omgeving incarneert, een leefbare, voldoende belangrijke maar ook voldoende flexibele plaats binnen het grotere, en groeiende complex van ingenieurs, quantity surveyors, consultants e tutti quanti ? En dus ook : hoe kan men jonge ontwerpers kansen bieden ? Dat debat wordt nu niet gevoerd. Je kan je zelfs afvragen of er nog iemand zit te wachten op architectuur, tenzij dan als een soort versiering nadat alle ‘echte’ problemen vakkundig opgelost zijn door mensen met ‘echte’ kennis. Dat is pas een crisis.

schrijf je in voor de nieuwsbrief