Architectuur en raamkaders

gepubliceerd op 11.01.2016 | tekst Christophe Van Gerrewey

Slider_A+257_NL

“Een groeiend aantal gebouwen en architecten schreeuwt om aandacht. Zelden wordt er nog een gebouw opgetrokken zonder dat het als cultuurproduct een tweede leven moet krijgen”. Christophe Van Gerrewey fileert vakkundig onze applausverslaving.

Er is iets absurds en realistisch aan een wedstrijd met honderden of duizenden inzendingen, zoals de recente editie van de Belgische Prijs voor Architectuur, of zoals in 2014 de prijsvraag voor een Guggenheimmuseum in Helsinki. Het absurde is dat hoogtepunten of kwaliteiten verdwijnen in een context waarin alles piekt, alsof de Alpen bestaan uit een reeks Monts Blancs, of uit heuvels die zich als bergen voordoen. En toch is zo’n situatie realistisch, omdat de hedendaagse architectuur zo werkt, net als de cultuur waarvan ze deel uitmaakt. Een groeiend aantal gebouwen en architecten schreeuwt om aandacht. Zelden wordt er nog een gebouw opgetrokken zonder dat het als cultuurproduct een tweede leven moet krijgen – gefotografeerd, bezocht, besproken, bekroond, bewonderd en ‘geliked’. Dat is te verklaren door het ‘architectuursucces’, en door een gebrek aan kritiek waarmee al die gebouwen worden geconfronteerd. Het komt ook door de toenemende zeldzaamheid van waardevolle kansen voor architecten, en door het feit dat vaak één beeld – op internet – zo snel mogelijk al het werk moet doen, zonder woorden.

Om het eenvoudig uit te drukken: nog geen 25 jaar geleden bouwde Stéphane Beel of Pierre Hebbelinck een schitterende villa in een banale en onopvallende verkaveling, en schreef Geert Bekaert een half jaar later in Archis een lovende recensie die indien niet werd gelezen, dan toch breed werd opgemerkt. Vandaag staan alle verkavelingen vol schitterende villa’s, en worden al die huizen meteen in tijdschriften, op websites en op Facebook weergegeven en gedeeld, maar zelden door veel mensen tegelijkertijd.

Een onbegrijpelijk detail is bijvoorbeeld het steeds couranter wordende ‘geëxtrudeerde raamkader’. Christophe Van Gerrewey

Of er in die situatie verandering zal komen, is weinig waarschijnlijk: we moeten noodgedwongen, en in de meeste gevallen, op zoek gaan naar de singulariteit van het architectuurobject, zonder dat de spelregels voor die zoektocht veranderen. In een gesprek met Jean Nouvel heeft Jean Baudrillard zich daarover uitgelaten: “Een werk is een singulariteit en al die singulariteiten kunnen zorgen voor ‘gaten’, tussenruimtes, leegtes, enzovoort, in dat metastatische bastion van de cultuur. We worden meegesleept in die ongebreidelde, metastatische ontwikkeling van de cultuur die ook heel diep is doorgedrongen in de architectuur. Maar in welke mate kunnen we dat proces veroordelen? Het is heel moeilijk geworden om in eenzelfde gebouw datgene wat van de orde van het geheim is te onderscheiden, die singulariteit waarvan ik niet denk dat ze helemaal is verdwenen. Ik denk dat die vorm onvernietigbaar is, maar dat ze steeds meer verslonden wordt door de cultuur.”*

Ook in België heerst ondertussen de orde van de architectuurcultuur, met als gevolg steeds wanhopiger pogingen om tot de architectenclub te worden toegelaten, om niet onopgemerkt voorbij te gaan, en om anders en uniek te zijn. Gebouwen die niet uit de band springen worden steeds moeilijker te realiseren: van de kleinste woning wordt verwacht dat ze de individualiteit maar ook de volstrekte uniciteit van de bouwheer tot uitdrukking brengt. Alle onderdelen van het ontwerp worden met klem benadrukt, indien mogelijk in een vorm die tot voor kort op aarde niet bestond. Een onbegrijpelijk detail – het is in zowel stedelijke als suburbane omgevingen onmogelijk nog te negeren – is bijvoorbeeld het steeds couranter wordende ‘geëxtrudeerde raamkader’. Het volstaat niet langer om een raam in een blinde gevel te stoppen – het raamkader moet verlengd worden, en er is een uitkraging nodig van minstens dertig centimeter. Om de blik te richten, misschien, of omdat het anders saai wordt. Dat architectuur niet saai is, kan echter niet voorop staan – het is iets dat zich moet laten ontdekken, dat zich omzichtig als een raadsel aanbiedt, of dat om een vorm van investering en interpretatie vraagt. Op die manier valt er in de architectuur toch nog wat te beleven, maar het is noodzakelijk om zich een weg te banen tussen al die gebouwen die nog slechts één doel hebben: opgemerkt worden.

 

>>   Uit A+257, officiële wedstrijdcatalogus van de Belgische Prijs voor Architectuur 2015

 

* Jean Nouvel, Jean Baudrillard, ‘Unieke objecten. Architectuur en filosofie’, Uitgeverij Klement, Zoetermeer, 2014

schrijf je in voor de nieuwsbrief