Opiniestuk - Verslaafd aan architectuur

gepubliceerd op 16.10.2017 Opinie

1504520396_beursbourse_beeld_6_newDe heisa rond het Brussels Beer Palace brengt een eigenaardige karaktertrek van de architectengemeenschap aan de oppervlakte. De verwerping van alle kritiek toont een houding die eender wat slikt als het maar door goede architecten ontworpen is. De discussie rond het Brussels Beer Palace  gaat daarom tegelijk over de staat van onze architectuurcultuur in België.

Het belevingscentrum rond bier naar ontwerp van Robbrecht & Daem architecten is een samenwerking van de Brusselse overheden en de Federatie van Bierbrouwers. Niemand minder dan de architecten zelf voelden zich geroepen om een communicatieoffensief op te zetten als reactie op een petitie tegen het afleveren van een bouwvergunning voor het Brussels Beer Palace . Ongewoon maar begrijpelijk, een beetje eergevoel siert een goed architect. Hoe dan ook is de promotiecampagne koren op de molen van een tot nog toe ontbrekend debat.

Opmerkelijker is de verdedigingslinie die op sociale media opgetrokken wordt vanuit de verzamelde architectengemeenschap. Zo wordt onder andere beweerd dat de beste vorm van kritiek ligt in de vraag om ambitieverhoging wat betreft het culturele programma (door Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck). Anderen stellen dat het godgeklaagd is om een project af te schieten waarin nota bene de markt, in casu bierbrouwer AB-InBev, de kosten draagt voor een hoogstaande architecturale ingreep en behoud van een monument (Koen Van Synghel). In beide gevallen wordt het project voor goed genomen. Kritiek wordt afgeleid naar toekomstig gebruik of naar een vermeende overwinning op de markt.

Tegen deze achtergrond kom ik tot drie (architecturale) lessen in urgentie.

Ten eerste, als de markt de architectuurcultuur predikt, boer let op je kippen. Architectuurcultuur in België leeft in het geloof dat de markt gebruikt kan worden als vehikel om tot goede architectuurprojecten te komen. De poging tot capaciteitsopbouw onder marktspelers is een goede zaak om voor te vechten, maar het is naïef om te stellen dat de formule een garantie is op succes. Er zijn ongetwijfeld goede voorbeelden te vinden, maar er zijn minstens evenveel gevallen waar het huwelijk met een goede architect niet geslaagd is. Zo is het niet omdat de gevangenis van Beveren door Stéphane Beel ontworpen is, dat het een goede gevangenis is – tot dat inzicht is FOD Justitie ondertussen ook wel gekomen. En wie herinnert zich de lotgevallen van het ontwerp van Laurent Ney én Paul Robbrecht in de zichzelf voortslepende historie van de Lange Wapper?

Ten tweede, architecturale kwaliteit vraagt een goede opdracht, goed ontwerp én goed gebruik – het is een trias die je beter niet uit elkaar haalt. Waarom onszelf geselen met een weinig doordacht programma als kader voor het speelveld van de architect? Is het verdict van de jury met Brusselse Bouwmeester genoeg om tot een geslaagd project te komen? Is de hele werking van de Bouwmeester(s) niet gestoeld op een brede definitie van architectuur waar ook de opdracht onderwerp van is? De boutade van bOb Van Reeth is dat je architectuur beter niet overlaat aan de architect alleen. Een goed architectuurproject heeft nood aan een goede projectdefinitie. Debat is hierbij geen bijkomstigheid, maar essentieel om te komen tot breed maatschappelijk draagvlak. Het veel te late communicatieoffensief opgezet door de architect is symptoom van een totaal gebrek aan inspraak en participatie.

Tenslotte, architectuurcultuur in België bekritiseert alles behalve zichzelf. Architecten schuwen doorgaans de grote thema’s niet – en terecht. Het architectuurproject is een prima schaalniveau om op een tastbare en alledaagse manier te spreken over neoliberale stadsontwikkeling, sociale desintegratie, ecologische roofbouw, enzovoorts. Alle kritische noties worden echter opgeborgen als de sterarchitecten van eigen bodem ten tonele verschijnen – dan zingt de kerk vol lof. Ik wil de architectuurgemeenschap niet omschrijven als een geloofsgemeenschap – daarvoor zijn haar regels veel te non-descript. Het Brussels Beer Palace  toont wel hoe architecturale kwaliteit werkt als een geest bedwelmend middel. Als het ontwerp de naam Robbrecht & Daem draagt, dan vergeet de architectuurgemeenschap in België alles. O zalige roes. Ooit gehoord over de gesel van het themapark voor de stad? Junkspace en het leeglopen van de stad als het toneel afgelopen is? Architecten dwepen met Michael Sorkin en Rem Koolhaas, maar bergen de boekjes snel op als het over eigen werk gaat.

Architectuur is te mooi om in een communicatieoffensief meegesleurd te worden. Kritiek op het Brussels Beer Palace  is meer dan ooit op zijn plaats. Het is hoogstens een gezonde terughoudendheid bij het laatste glas. Verzaak niet aan uw verlangen naar architecturale kwaliteit, waarde confraters. In afwachting van een goed project in de Beurs zal ik wel in andere steden mij te goed doen aan mijn dagelijkse dosis Robbrecht & Daem. 

 

Tekst:  Gideon Boie / BAVO                  

schrijf je in voor de nieuwsbrief