Een interview met Rijksbouwmeester en co-curator Floris Alkemade

gepubliceerd op 19.06.2018 Interview
© Max Creasy en OK-RM

© Max Creasy en OK-RM

De Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam ‘The Missing Link’ wordt gespreid over twee edities, 2018 en 2020, en over twee steden, Rotterdam en Brussel. Het thema ‘The Missing Link’ heeft dan ook een ambitieus doel: de grote klimaatdoelstellingen binnen de gestelde termijn te helpen realiseren, door de goede bedoelingen en experimenten om te zetten in daadwerkelijke acties. Op 1 juni ging de IABR van start in het WTC 1, voor de gelegenheid gedoopt tot ‘World Transformation Centre’. Hier valt de tentoonstelling nog t.e.m. 11 november te bezoeken, maar er worden ook werksessies georganiseerd om acties op gang te brengen.

Een interview met Rijksbouwmeester en co-curator Floris Alkemade door Joeri De Bruyn.

Joeri De Bruyn: You are here is de titel van de tentoonstelling in de WTC-toren. We zijn inderdaad hier en nu in Brussel. Wat betekent dit, de Nederlandse Rijksbouwmeester die in Brussel komt werken en de Vlaams Bouwmeester die naar Rotterdam is getrokken? Vanwaar die samenwerking?

Floris Alkemade: Een groot deel van wat we momenteel meemaken, heeft te maken met onze fysieke ondergrond. Vlaanderen en Nederland delen min of meer dezelfde bodem: een Delta-landschap van rivieren met daarbovenop een verspreid patroon van verstedelijking. Maar tegelijkertijd zijn ons politieke systeem, onze cultuur en onze manier van leven ontzettend verschillend. Wat mij intrigeert, is dat we veel gemeenschappelijks delen, ook min of meer dezelfde taal spreken en toch zo anders zijn. Dat betekent dat we heel veel van elkaar kunnen leren. Juist op het moment dat je ontdekt dat er structurele veranderingen nodig zijn, is de Delta daarom een mooi laboratorium om te zien welke bestuursvormen de macht en kracht hebben om samen te werken.

De ondergrond heeft ook geleid tot eenzelfde stedelijk systeem: een decentrale, breed uitgesmeerde stad. U heeft ooit eens gezegd dat Nederland geen dichtbevolkt land is, maar een dunbevolkte stad. Die situatie geldt ook voor Vlaanderen.

Toch zijn er verschillen. Ik denk dat Nederland dankzij zijn strengere planningscultuur er nog in geslaagd is gebieden open en leeg te houden. Ik heb het idee dat dat in Vlaanderen nooit is nagestreefd en dat de lintbebouwing in ieder geval in de beeldvorming allesoverheersend is. Ook hier zou je kunnen bedenken dat het verschil een afgeleide van de ondergrond is. Als je kijkt naar historische kaarten van omstreeks 1600, zie je op dat moment al hoe plaatsen, dorpen en gehuchten gekoppeld zijn aan een rivier of een beek. In het Vlaamse deel van de Nederlanden is de rivierendichtheid veel groter, dus al in 1600 zie je dat die verwevenheid met een bepalende ondergrond geleid heeft tot een grotere verspreiding en verneveling in Vlaanderen.

Nederland heeft zich voortdurend moeten wapenen tegen het water. Dat heeft geleid tot een meer collectieve manier van bouwen. Ook dat is een cultuurverschil.

Zeker, en ik denk dat daar ook de protestantse volksaard uit naar voren is gekomen. De strengere aanpak, de angst voor het water, het samenwerken vanuit het voortdurend omgaan met een levensgevaarlijke dreiging die niet te vermurwen is… Dat alles past beter bij het protestantisme dan bij het katholicisme, waar men dreigingen nooit al te serieus neemt.

We spreken nu over grote culturele, religieuze en politieke verschillen, maar uiteindelijk valt het wel mee. De grote overeenkomst is natuurlijk dat beide landen dichtbevolkt zijn. Steden liggen zo dicht op elkaar, dat tussengebieden een hele andere rol vervullen dan bijvoorbeeld de gebieden die je rond een metropool als Parijs ziet. Als je Parijs verlaat, kom je in een woestijn terecht, en pas een dagtocht verder kom je in Nice. In Parijs heb je geen keuze: je moet in de stad leven om daar te kunnen werken en te overleven. Dat leidt tot een enorme druk op de stad, met een centrum dat alle aandacht en geld naar zich toe trekt maar met een te beperkte capaciteit waardoor er omheen ook gebieden ontstaan zijn met een duidelijke B-kwaliteit.

Het interessante aan Vlaanderen en Nederland is dat de steden er zo dicht bij elkaar liggen dat ook de gebieden ertussen goed bereikbaar en daardoor een zekere mate van gelijkwaardigheid kunnen krijgen. Niet dat ze hetzelfde representeren, maar wel dat de beste keuze zich niet zo nadrukkelijk op maar één plek bevindt.

Zeker in Vlaanderen hebben we te kampen met het probleem van de verspreide verstedelijking. Het lijkt alsof een nukkig kind zijn blokkendoos heeft omgegooid. We hebben zowat overal gebouwd. We weten intussen dat die decentrale stad heel problematisch is. Maar er zijn ook andere stemmen. In de tentoonstelling Horizontal Metropolis onderzoekt Paolo Viganò bijvoorbeeld de ontwikkelingsmogelijkheden van zo’n diffuse stedelijkheid. Ook jij zegt dat er bepaalde kwaliteiten zitten in het model van de decentrale stad.

Ik wil in ieder geval zorgen dat we alle gebieden en daarmee ook iedereen evenwaardig behandelen. En niet zoals we nu in Nederland vaak zien waar alleen de Randstad als een volwaardige vorm van stedelijkheid wordt gezien. Dat zijn de vier grote steden, Rotterdam, Amsterdam, Utrecht en Den Haag, omineus ook wel de G4 genoemd. Laatst is onderzocht wat het inhoudt als we de economie van de Randstad aftrekken van de totale economie en dan alleen de economie overhouden van wat in Nederland als ‘de rest’ wordt bestempeld. In de beeldvorming zou het daar vooral om langzaam failliet gaande boeren gaan, maar wat blijkt: Nederland heeft zonder de Randstad een economie die nog steeds groter is dan die van heel België. Er zit een enorme kracht in het buitengebied, al gaat het om ontwikkelingen met verschillende snelheden.

Ligt daarin het verschil tussen u als Nederlands Rijksbouwmeester en Leo Van Broeck als Vlaams Bouwmeester? Leo Van Broeck legt heel hard de nadruk op de densiteit van de stad en de verdichting van kernen, terwijl u meer op de tussengebieden wil focussen?

Het is absoluut niet zo dat ik zeg dat we alle tussengebieden nu moeten volbouwen. Nederland moet tot 2040 zo’n miljoen woningen bijbouwen. Dat moeten én kunnen we in de al bestaande bebouwde gebieden doen. Mijn boodschap is in die zin dus dezelfde als die van Leo. Maar hij gaat af en toe nog wat verder door te stellen dat we groei moeten combineren met een afnemend grondgebruik, en dus ook slopen. Slopen vind ik in bepaalde gevallen ook interessant, eliminatie is een belangrijk vormgevend principe.

Jullie zeggen in het curator statement van de IABR letterlijk dat we plaats moeten maken om de grote transities die op ons afkomen ruimte te bieden. Dat is het moment waarop de architect in beeld komt. Hoe kan architectuur een rol spelen in de ommekeer die jullie beogen?

In de afgelopen decennia, of eigenlijk vooral als de economie goed gaat, assimileert de architect zich te nadrukkelijk met het marktdenken. Op de golven van de economie kan je wereldwijd enorme dingen bouwen, maar het is ook een evolutie waarin de beroepsgroep heel veel van haar roeping is kwijtgeraakt. Het brengt ook kwetsbaarheid met zich mee, op momenten van crisis zie je dan dat de beroepsgroep genadeloos wordt weggevaagd. De grote vragen die nu op ons afkomen, zowel de maatschappelijke als de duurzaamheidsvragen, zijn van een heel andere aard. Vragen die op dit moment door de politiek en de markt niet adequaat beantwoord worden. Op beide domeinen mist men de ontwerp- en verbeeldingskracht die nu essentieel wordt om dit soort grote veranderingen vorm te geven.

Je zou deze IABR kunnen definiëren als de biënnale die over verandering gaat, over de illusie of hybris dat we veranderingen op deze schaal en van deze allesomvattende omvang nog kunnen beïnvloeden. Daar komt onze gemeenschappelijke ondergrond van de Delta naar voren, dit is een domein dat we aan denken te kunnen en dat daarmee een testgrond voor fundamentele koerswijziging kan worden. Het thema waar we ons daarbij op richten is de Missing Link: de ontbrekende schakel tussen de kennis van wat we zouden moeten doen en dat wat we daadwerkelijk doen. Ik denk dat de architect met zijn verbeeldingskracht een beslissende rol kan spelen in het invullen van die missing link, maar dan moeten we de architectonische manier van denken op de juiste manier in weten te zetten. Het vakgebied kan enorm aan relevantie winnen als we de inhoud die we aan dit vak geven, op een betekenisvolle manier verruimen.

Momenteel beginnen zich op schaal van de hele planeet veranderingen af te spelen. Ze zijn de optelsom van veranderingen die onzichtbaar zijn omdat ze bij elkaar te groot, traag en abstract zijn, alleen door wetenschappers kunnen ze worden opgetekend. Als mens hebben we niet een vanzelfsprekend vermogen om die veranderingen op tijd en met voldoende diepgang te erkennen. Nu de veranderingen van zo’n ontzagwekkende omvang zijn, moet je je afvragen welke vorm van sturing nog denkbaar is. De professie van ontwerpers is verandering. De vraag is: kan onze beroepsgroep, vanuit verbeeldingskracht, hierin een rol spelen? Of met andere woorden: kun je ontwerpen aan een wereldwijde gedragsverandering?

Om de toekomst fundamenteel te veranderen, heb je daarvoor beelden nodig. Een visie waarin je kunt geloven, en die er aantrekkelijk uitziet. En dat is precies het domein waarop architecten zouden kunnen opereren. Meer dan ooit is van het grootste belang dat ze de juiste vragen adresseren, en met de juiste instelling. Alleen dan kom je tot het ontwerpen van echt relevante inzichten, strategieën en politieke visies.

De taak van de ontwerper die je hier voorstelt, gaat dus om meer dan enkel beelden maken, maar ook om het samenbrengen van diverse problemen. Problemen die nu vooral sectoraal beantwoord worden, maar nooit samen worden behandeld.

Dat is wat ik als achtergrondthema in de Biënnale heb gebracht: The real world in the real time. Op dit moment besteden we ontzettend veel aandacht, energie en ontwikkeling aan de digitale wereld. Je hebt statistieken die tonen dat we op dit moment tussen de 400 à 500 minuten per dag naar een scherm kijken. Voor een Amerikaanse volwassene is dat gemiddeld 636 minuten per dag. Als je weet dat we zo’n duizend minuten per dag wakker zijn, zie je dat onze verbeelding wordt gekaapt door het digitale domein. We hebben het dan niet over ‘fake news’ maar over ‘fake reality’.

Ondertussen beginnen zich in de echte wereld problemen af te tekenen die van een totaal andere aard zijn. In een rijk en ontwikkeld land als Nederland voelt een op tien volwassenen zich vereenzaamd. In een stad als Rotterdam groeit 40% van de kinderen op in armoede. Dat zijn realiteiten die het scherm niet toont, maar wel zaken die dringend aandacht nodig hebben. Als we het hebben over klimaatverandering en andere problemen op planetaire schaal, is dat niet een louter technische vraag maar gaat het over gedragsverandering en dan moeten we het ook over solidariteit hebben. Moraliteit en rechtvaardigheid zijn geen bijzaak.

In de expo in Rotterdam tonen we een foto van een kinderboerderij waar iedereen met een knuffelgeit en zijn kinderen selfies staat te maken. Die foto hangt tegenover een foto van een kippenboerderij: een oneindig aantal kippen met slechts één persoon. Het is een plek waar niemand ooit een selfie maakt. We maken selfies bij wat eigenlijk een leugen is, want die achtergrond toont niet de manier waarop we ons voeden en hoe we in dat verband met onze dieren omgaan. Die niet vertekende blik op de werkelijkheid, dat is waar verandering over moet gaan. Een passende roman vind ik deze van Oscar Wilde: The picture of Dorian Grey. Een hele mooie jongen sluit een pakt met de duivel dat hij zelf eeuwig jong blijft, en zijn portret veroudert, in dit geval door zijn morele verval te tonen. Het portret wordt al snel zo afschuwelijk, dat hij het op zolder verbergt. Onze kippenboerderijen zijn een voorbeeld van de morele werkelijkheid die we verbergen achter verzachtende beelden zoals een kinderboerderij. Bewust en onbewust verhullen we voortdurend de consequenties van onze keuzes, een luxe die we ons in het licht van klimaatverandering en afname van biodiversiteit niet meer kunnen veroorloven.

© Tim Van de Velde

© Tim Van de Velde

Deze editie van de IABR noemen jullie een werkbiënnale. Het ontwerp is niet vrijblijvend. Het is de bedoeling om nieuwe coalities te smeden tussen overheden, ontwerpers, experten en burgers zodat het ontwerp ook daadwerkelijk kan leiden tot actie op het terrein.

Precies, het heeft met de echte wereld te maken: zonder verzachtende omstandigheden bekijken wat er aan de hand is, en daarnaar ook handelen. De vraag is of we het als beroepsgroep, als cultuur of maatschappij voor elkaar krijgen om de verandering ten goede te keren. Dat is waar we in Rotterdam het Duitse woord Schicksalsfrage voor gebruiken, een prachtige term die aangeeft dat ons gezamenlijke lot nu van onze komende keuzes afhangt. Het betreft iets dat nogal verstrekkend is, maar tegelijkertijd zo abstract is dat je geen idee hebt wat de relatie kan zijn tussen je persoonlijke gedrag en de veranderingen op wereldschaal.

Dat gegeven kan je op verschillende manieren bekijken. Vlaanderen en Nederland zijn op wereldschaal nog steeds zo klein, dat in het geval we alle doelstellingen realiseren, de curve van de temperatuursverandering niet aanzienlijk zou dalen, slechts 0,02% of iets in die aard. Je kan dat als argument gebruiken om niets te doen. Maar je kan het ook omkeren. Als landen als België en Nederland, die zo rijk, hoogopgeleid en georganiseerd zijn, het al niet voor elkaar krijgen, krijgt niemand het voor elkaar. Vanuit die positie kunnen we een verantwoordelijkheid opnemen. Onze inspanningen zullen niet direct het klimaat op de planeet bepalend beïnvloeden maar dat kan wel gelden voor de cultuur van nadenken en handelen die we daarmee opstarten. Het gaat om de voorbeeldwerking die kennis teweegbrengt en die wereldwijd toepasbaar is. Kennisopbouw als een voorbeeld van solidariteit.

© Tim Van de Velde

© Tim Van de Velde

Zijn er specifieke projecten of praktijken te zien op de IABR die u nauw aan het hart liggen of waarvan u grote doorbraken verwacht?

Het blijft natuurlijk ‘moeizaam geploeter in het slijk der aarde’. Het is niet zo dat we zeggen: we weten het nu, over twee jaar hebben we de antwoorden en zal alles beter en anders zijn. Er zijn projecten die een oprechte, integere poging doen. De IABR Ateliers behandelen heel concrete cases zoals het Merwede-gebied in Rotterdam, het gebied waar ook de biënnale plaatsvindt, of het Deltagebied rond Gent. Daarnaast hebben we zes kraamkamers waarin we praktijken verzameld hebben die allemaal veel potentieel hebben. Met die veertig praktijken uit zowel Nederland als Vlaanderen willen we de komende jaren werken en ze met elkaar in verband brengen. Daar kan nog wat uit groeien. Dat moeizame geploeter is een wezenlijke stap in een veranderingsproces.

Jullie steken minder dan dertig procent van jullie middelen in de tentoonstelling, de rest gaat naar de begeleiding van de praktijken. Vandaag starten projecten vaak op vanuit overheden die een opdracht uitschrijven. Op de IABR gaat het vaak andersom. Ik denk bijvoorbeeld aan de praktijk die de luchtvervuiling en mobiliteit rond scholen in Vlaanderen en Brussel wil aanpakken. Het is gestart vanuit een spontane actie van ongeruste ouders in nu al bijna honderd scholen. De biënnale brengt die mensen samen en probeert van daaruit middelen te genereren om concrete projecten te ontwerpen en te realiseren. De basis blijft dat je geld nodig hebt om dit alles te kunnen doen.

Als je begint de grote vragen te beantwoorden door eerst naar middelen te zoeken, dan loop je meteen vast. De middelen zijn georganiseerd volgens de bestaande lopende systemen, en dat zijn net de systemen die je wil veranderen. Er is ontzettend veel geld, het kolkt door de straten. Het is alleen de manier waarop het besteed wordt, die hemeltergend is. Om dat anders te besteden, heb je allereerst goede, overtuigende ideeën nodig.

We hebben de afgelopen jaren de prijsvraag Who Cares? georganiseerd. We stelden de vraag hoe we verschuivingen in de zorg kunnen combineren met de noodzaak om onze woonwijken te veranderen. In het zorgdomein zijn de budgetten ontzettend groot. Hetzelfde geldt voor allerlei stadsvernieuwingsprojecten. Het vreemde is dat de twee domeinen en ministeries nauwelijks samenwerken. Het moment dat je deze bij elkaar brengt, zie je ineens hoeveel koppelingen er te maken zijn. Als je het zo weet te organiseren dat de oplossing in het ene veld ook een oplossing voor het andere is snijdt het mes aan twee kanten en zijn er ineens middelen in overvloed.

Met ander woorden, het geld om een klassiek zorgcentrum te bouwen, ligt er al. Maar als je die middelen anders aanwendt, dan zijn er misschien nog winsten te boeken op andere vlakken…

Dat is het vreemde aan onze cultuur, die zich ontzettend slim en intelligent organiseert om de gevolgen van allerlei problemen op te lossen en nauwelijks in staat is de oorzaak van die problemen zelf te adresseren. We investeren bij wijze van spreken veel meer in vangrails, dan in betere auto’s. En dat geldt in de zorg ook. Je kan met allerlei eenvoudige onderzoeken aantonen dat ouderen veel gezonder kunnen leven in beter opgezette woonwijken, die daardoor dan heel wat minder zorg nodig hebben. Hierdoor spaar je dus veel geld uit, maar het is lastig die koppeling te maken omdat de zorgbudgetten daar niet op gericht zijn. Met het vertellen van het juiste verhaal en het tonen van mogelijkheden kan de link ontstaan. Dat is wat we aan het proberen zijn, niet het zoeken naar middelen. Zorg is één voorbeeld, maar ik ben er zeker van dat de protesterende moeders en vaders aan de schoolpoort zonder budget op een bepaald moment ook gehoord zullen worden. Laat de beleidsmakers maar eens uitleggen welke belangen ze precies hoger achten dan de gezondheid van kinderen.

Het abstracte probleem van CO2-uitstoot wordt in die actie inderdaad concreet benoemd: de gevolgen van luchtvervuiling die zich manifesteren in de longen van hun kinderen. Men komt met spandoeken de straat op, het concept krijgt veel media-aandacht. De energie die vrijkomt, wordt hier gemobiliseerd.

Het beroep doen op moraliteit, op een geweten en verantwoordelijkheid is enorm belangrijk. Je hebt in Nederland de voorbije jaren de discussie over Zwarte Piet en de connotatie met het slavernijverleden. Er wordt nu terecht geconstateerd dat een aantal van de Nederlandse zeehelden die wij altijd vereerd hebben, vanuit winstbejag meedogenloos en wreed handelden. Ik ben ervan overtuigd dat de generaties die na ons komen ons ook op onze moraliteit zullen wegen. Het verwijt aan ons adres zal de klimaatverandering en de afname van de biodiversiteit zijn: jullie zagen het aankomen, je wist wat er aan de hand was, je kon ingrijpen, waarom deed je het niet?

Wat nu gebeurt, is eigenlijk de omgekeerde zondeval: we zijn zo rijk en welvarend dat we feitelijk in het paradijs leven en in een mooie parallel hebben we dankzij de wetenschap ook de kennis van goed en kwaad, we weten precies wat er zou moeten gebeuren, maar toch gebeurt het niet. De moed om voor die kennis te kiezen in de wetenschap dat we daarmee uit ons paradijs van alsmaar durende overvloed verdreven worden is de missing link. Ik vermoed dat we de schuldvraag die wij iedere keer zo makkelijk bij andere culturen en andere generaties leggen, meer dan ooit net zo goed bij onszelf moeten leggen. Daarom raken dit soort protesten als bij de Belgische scholen de juiste toon om de manier van nadenken, beoordelen en een hele cultuur te beïnvloeden. Uiteindelijk is het scherpste wapen aandacht voor het belang van de ander zoals bij de protesterende moeder of vader.

schrijf je in voor de nieuwsbrief