A+267 - Dis-cours

25.09.2017

A+_267_Cover_NL_250px

Volgens Adolf Loos zijn architecten metsers die Latijn geleerd hebben. Zijn scherpe pen bewees zijn taalvaardigheid alvast, al diende die vaak om confraters de mantel uit te vegen. Maar hij is lang niet de enige architect die de pen hanteert. Integendeel. Al is de tekening het eerste instrument van de  architect, hij/zij put zich ook aanhoudend uit in verdedigingen en verantwoordingen. Architecten moeten ook constant het belang legitimeren van wat ze doen. Architectuur is immers een ‘zwakke’ discipline, waarvan de grenzen en de betekenis niet precies vastliggen of zo ruim zijn dat ze alles kunnen bevatten. Of niets.

Zelfs de onvervreemdbare kern van de architectuur als wetenschap, haar vermogen om prachtige en perfecte gebouwen te bedenken, is al eeuwen aangetast door twijfel en bevraging. Zodra we beseften dat schoonheid en perfectie enkel ‘in the eye of the beholder’ bestaan, gingen de canon en de traditie, als ankerpunten van de architectuur, aan het vlotten. Architectuur werd een begrip dat zo diverse praktijken en inzichten onder één hoed vangt, dat het bijna een geloof is. Of een tautologie. Een gebouw is architectuur omdat het onder de vlag van de architectuur bedacht is. Architectuur is als een sekte, en de werking ervan een black box, schreef de Britse criticus Reyner Banham in zijn allerlaatste gepubliceerde tekst.

Toch is het net daarom cruciaal om te blijven formuleren wat architectuur is of doet. Waarom hele legers ontwerpers zich tegen beter weten in te pletter werken om ontwerpen gebouwd te krijgen waar niemand op die manier om gevraagd had, maar achteraf (misschien) opgetogen over is. De laatste decennia leek het alsof de academische wereld dat terrein overgenomen had. Toch zijn er nog steeds ontwerpers die zelf schrijven, op een lucide manier, met hun ‘kennis van zaken’. We presenteren hier enkele van hen. Hun essays laten architectuur meer zijn dan een voetnoot in een wereld die geen architecten behoeft om krankzinnig veel te bouwen.

In een post-scriptum bij ‘Wonen tussen gemeenplaats en poëzie’, een huldeboek aan architectuurcriticus Geert Bekaert, suggereerde Paul Vermeulen van HDSPV in 1993 wat er in teksten over architectuur op het spel staat: wie schrijft wijdt zich toe aan een cultuur waarover het laatste woord nooit gezegd is. Het is nog steeds de mooiste inleiding die men zich kon wensen bij portretten van schrijvende architecten.

Pieter T’Jonck

 

Integrale teksten op http://bit.ly/A-plus-267-Integrale-teksten

 

schrijf je in voor de nieuwsbrief